Het Doel, mét hoofdletter D, is inmiddels gehaald: per fiets bereiken we de Arctic Ocean, de Noordelijke IJszee. Het is eind augustus 2025 en we zijn in Tuktoyaktuk. In januari 2020 stonden we in het Argentijnse Ushuaia, het andere uiterste van Amerika, aan de Antarctic Ocean.
We hebben nog twee weken over voordat we in Whitehorse op het vliegtuig stappen dat ons naar Europa terugbrengt. Wat te doen in die twee weken? Het wordt een avontuurlijke kanotocht over de machtige en prachtige Yukon rivier van Whitehorse naar Dawson City: 750 kilometer waar men in de regel iets van 12 tot 16 dagen over doet.
Dit is het traject van de jaarlijkse Yukon River Quest, 's werelds langste kano- en kajakwedstrijd. Het record staat op 44 uur en 9 minuten, dus het kan veel sneller dan die 12-16 dagen. Het wordt een ervaring die we nooit en nimmer zullen vergeten...
Eerst maar eens terug zien te komen naar Whitehorse. Het is slecht weer als we uit Tuktoyaktuk vertrekken. We zoeken een lift terug naar Inuvik. Het plan is om bij het visitor center te gaan staan en daar de duim omhoog te houden. Maar het is zondag en er is nauwelijks verkeer. Niemand met een pick-up waar we de fietsen achterin zouden kunnen liggen. Het waait hard, het is koud en guur bij het visitor center. Maar we zijn vooral alleen en na een tijdje besluiten we maar te fietsen om warm te blijven en in de hoop dat we ooit door een pick-up ingehaald worden. En dat gebeurt! Een tweetal ambtenaren, die we gisteren ook al hadden ontmoet bij de B&B, begint aan hun terugreis naar Inuvik. Ze twijfelen even als we ze aanhouden met de vraag om ons mee te nemen, maar gelukkig zeggen ze ja. Wat een enorm geluksmoment! De weg terug, waar we heen een dag overheen hebben geploeterd, snelt voorbij en tweeënhalf uur later staan we bij het Mackenzie hotel in Inuvik. Daar nemen we afscheid van de twee ambtenaren en lopen ook het hotel in om twee fietsdozen op te halen. Vanuit Inuvik vliegen we naar Whitehorse. Die dozen zijn daar achtergelaten door twee Amerikanen die we op de Dempster Highway hebben ontmoet. Gelukkig staan de dozen er nog, maar eentje is nogal gehavend. Boeien, hier doen we het mee, tot aan Parijs!
Bij ons B&B (overigens zonder de tweede B en dat is niet erg aangezien gasten klagen over de ontbijtbom aan calorieën en vet) boxen we onze fietsen. We kijken nog wat Netflix en video's op YouTube, waaronder een video van een ervaren kano-koppel, die uitgebreid vastlegden hoe zijn hun kano trip van Whitehorse naar Dawson hebben ervaren. Alle 'historische' plekken (meestal een vervallen houten hut van 100 jaar oud) langs de rivier, vinden ze 'supercool' en dat blijft ons het meest bij. We zullen het stel nog vaak imiteren gedurende onze kano-tocht.
Cynthia, de eigenaresse van het B&B, wil ons wel voor minder dan een taxi wel naar het vliegveld brengen. Haar auto is mega groot, blijkbaar boert ze goed met haar twee B&B adresjes. We zijn veel te vroeg op het bescheiden vliegveld van Inuvik en aldaar raken we aan de praat met Filipe, een ongelooflijk aardige gozer uit Portugal/Luxemburg. Hij werkt momenteel in Canada, maar is vooral een verwoed avonturier. Hij is net terug van een kanotocht op een river less travelled. Filipe raakt enthousiast van ons onze fietsreisverhaal en natuurlijk van ons plan om de laatste twee weken in Canada kano te varen. Spontaan biedt hij ons zijn Garmin InReach aan, een device waarmee je altijd en overal een noodsignaal kan versturen. Als we terugkomen van ons kano-avontuur kunnen we de device in Whitehorse achterlaten bij een vriend van hem. Wat een vertrouwen, dat ding kost iets van € 300.
We vliegen met Air North en hebben gehoord dat deze vliegmaatschappij niet zo moeilijk doet. Er zijn verhalen bekend dat mensen hun fiets zonder doos of andere verpakking gewoon in het ruim van het vliegtuig hebben mogen schuiven. Dat hoeven wij dus niet te testen; onze fietsen zitten mooi in een doos en dat blijft hopelijk zo tot Parijs. Wij hopen wel op coulance met betrekking tot onze twee bussen met bear spray en ons gasblikje, want die hebben we nodig als we per kano door de wildernis gaan trekken. De dame aan de incheckbalie is zeer informeel gekleed, maar is helaas qua handelen formeel: onze twee bussen bear spray t.w.v. iets van $40-$50 per bus en het gasblikje moeten we inleveren. Ze zegt dat die vernietigd worden.
We vliegen via Dawson City in een klein vliegtuigje terug naar Whitehorse. Rond half 11 's avonds komen we daar aan. Het vliegveld is modern, maar (nog steeds) erg klein, ook al wordt er gewerkt aan uitbreiding van het vliegveld en verlenging van de start-/landingsbaan om ook grotere internationale vluchten toe te laten. Buiten zoeken we een grotere taxi. Die vinden we, maar hij zegt maar één doos en één passagier mee te willen nemen en roept meteen een collega op. We passen voor het dubbele aanbod met dubbel (toeristen-)tarief. We staan met nog één medepassagier voor de ingang van het vliegveld. Die medepassagier wordt even later opgehaald door twee mannen in een grote pick-up. We trekken onze stoute schoenen aan en vragen of zij ons en onze fietsen mee willen nemen naar het centrum van Whitehorse. Er wordt geaarzeld maar dan gaan de deuren open en wordt de laadbak geopend. In de cabine ruikt het flink naar alcohol en de chauffeur heeft enorme haast en scheurt als een dolleman. Tien minuten later staan we, opgelucht dat we heelhuids zijn aangekomen, op de stoep van het hotel. Hier hebben we twee nachten geboekt, want morgen gaan we de voorbereidingen treffen voor onze kanotocht.
De volgende ochtend boeken we het hotel voor over twee weken, voor de laatste nacht in Canada, de laatste nacht in the americas. Voordeel is dat we de fietsen in hun grote dozen in dit hotel mogen laten staan. Vervolgens gaan we naar Kanoe People, een kano-verhuurbedrijf. Het is populair om de Yukon te kanoën: mensen komen van de andere kant van de wereld alleen maar om deze trip. Voor ons is het een extraatje, het opvullen van de twee weken die we over hebben hier aan de andere kant van de plas. Het stuk over de Yukon naar Dawson City is 750 kilometer. In het midden ligt Carmacks, de enige plek waar je je voorraden kunt aanvullen en kunt douchen. Er is daar een aardige camping, waar we eerder een nachtje gekampeerd hebben tussen kanoërs. De meeste mensen kanoën van Whitehorse tot Carmacks, of van Carmacks tot Dawson City. Een stuk minder mensen gaan voor het hele stuk tussen Whitehorse en Dawson City. Verder ligt er iets van 40 kilometer stroomafwaarts vanuit Whitehorse het bevreesde Lake Laberge, dat -zoals we hebben gelezen- vaak wordt overgeslagen, omdat het bij winderig weer zwaar is om over te steken.
Enfin, we geven bij het verhuurbedrijf aan dat we de Yukon willen kanoën, als het kan tot aan Dawson City, maar dat we daar maar 13 dagen voor hebben. Dat is iets van 60 kilometer per dag kanoën. Ook geven we aan dat we, qua kanoën, beginnelingen zijn. Volgens de dame van Kanoe People moet Dawson te halen zijn in 13 dagen. Alleen Lake Laberge kan een ding zijn als het hard waait, maar de weersverwachting ziet er goed uit. Top! We reserveren een kano, twee vaten voor proviand, een bijl, een zaag, een gigantische dry bag en een groot zeil voor eventuele regenachtige avonden. Ook kopen we een 'boek' (ringband met met zwart wit kopietjes) waarin de Yukon, vanuit kano-perspectief minutieus beschreven wordt. Cartografisch stelt het niets voor: het leunt op landmarks die je ziet vanuit de kano. Groot voordeel van het boek is dat het aangeeft aan welke kant van de eilandjes in de rivier de stroming loopt en waar je kan kamperen. Behalve halverwege in Carmacks, is er op het 750 kilometer lange stuk geen camping, maar zogenaamde designated campspots, plekken waar je je tentje kan opzetten.
We verlaten Kanoe People om boodschappen te doen. Poeh hé, voor 7 dagen proviand inslaan is zelfs voor ons doorgewinterde langeafstandfietsers een tijdrovende bezigheid. We moeten wennen aan het grote (en enige?) voordeel van een kano: je kunt gerust volumineuze en/of zware dingen meenemen. En zo vullen we de twee 30 liter vaten tot de rand vol met proviand. Tenslotte lenen we een bus bear spray van het hotel en kopen een extra bus en een groot gasblikje en we're good to go!!
'Laat 's zien hoe die zaag in elkaar gezet moet worden'
De volgende ochtend melden we ons bij Kanoe People en we verbazen ons hoe weinig instructies we krijgen voor de komende twee weken. Dat is des te opvallend, want we zijn inmiddels buiten het hoogseizoen en nog maar weinig mensen gaan het avontuur aan op de Yukon. Alleen het in elkaar zetten van de zaag wordt, op verzoek, even gedemonstreerd. Als we met de kano aan de oever liggen, kijken we nog eens om ons heen of iemand nog uitleg geeft...? nee, of iemand ons de rivier opduwt...? ook niet dus. We vinden het allemaal een beetje vreemd omdat we eerder gezien hebben dat kanoërs, weliswaar bij een ander verhuurbedrijf, uitgebreid gebriefd werden over hun kanotrip.
Onbeholpen zetten we ons af en dan drijven we op die prachtige blauwe Yukon. De rivier is relatief smal en stroom hier best snel; iets van 9-10 km/u. We beginnen enthousiast te peddelen. De boot gaat naar links, beide de peddels naar bakboord en de boot gaat naar rechts, peddels naar stuurboord en de boot gaat naar links ... en zo door, de boot wil nooit recht vooruit. We zijn op elkaar aangewezen en verschillen van mening hoe we de kano het beste kunnen besturen: onwennig en onervaren samen in een kano stappen en klungelen stelt een goed huwelijk flink op de proef...
Ergens onderweg stoppen we voor een pauze en wisselen van positie: Harry naar voren en Roelie naar achteren. De switch brengt geen enkele verbetering is de beheersing van de kano, de besturing, voortgang, snelheid noch in het onderlinge gefoeter. Dankzij de sterke stroming schieten we toch goed op en na een halve dag bereiken we Lake Laberge.
Lake Laberge wordt dus niet graag bevaren door kanoërs: of ze stoppen als het meer bereikt wordt, of ze beginnen aan het einde van het meer. We zijn geadviseerd om dicht langs de oostelijke oever te varen, vanwege de kortere kustlijn. De wind die -over het algemeen- vanuit het zuidoosten waait, zou geen invloed hebben. De wind komt schuin van achter en we hebben door de golfslag problemen om de kano in het gareel te houden. We schommelen en zigzaggen er op los en kunnen nog steeds geen koers houden. We hebben er al snel genoeg van en zien aan de oostelijke oever een bordje dat lijkt te wijzen op zo'n campspot. Eigenlijk te vroeg op deze eerste dag besluiten we aan te meren. En dat gaat gepaard met natte billen... Koers houden kunnen we al niet, en aanleggen nog veel minder. We zetten de punt van de boot op de kant, maar de wind en de golven duwen de kano, waardoor we parallel aan de oever komen te liggen. De golven slaan over de boeg, we kapseizen en de boot loopt vol.
Wij, en onze spullen, zijn kletsnat met meer gefrustreerd gevloek tot gevolg. De frustratie, als gevolg van de moeizame eerste etappe en de natte onderlijven, verdwijnt echter direct als we de kampeerplek zien: een picknicktafel en een metalen vuurplaats baden in de westelijke zon en het uitzicht over het meer is fantastisch. We zetten ons tentje op, steken een vuur aan, maken een lekkere maaltijd en drinken een wijntje uit de wijnzak. De zon gaat tergend langzaam onder. We hebben de wereld voor ons alleen. Ohh, wat is dit heerlijk! Dit unieke gelukzalige gevoel -'s avonds op een plek midden in de wildernis, moederziel alleen met z'n tweetjes, geen menselijk handelen te zien of te horen. We zijn helemaal happy en blij met elkaar. Zulke momenten zullen we op deze kanotocht nog vaak evenaren of zelfs overtreffen.
Dag twee wordt er eentje om snel, en juist daarom nooit, te vergeten. De wind is verder aangetrokken én gedraaid: hij waait nu uit noordwestelijke richting: tegen ons dus. We hebben gelezen dat kanoën erg 'windgevoelig' is: eigenlijk moet je niet meer het water opgaan bij windkracht 4 en meer. Windkracht 4 tegen... met de fiets zou je daar weinig moeite mee hebben, maar met de kano op een meer wordt wind tegen ook met minder dan windkracht 4 een lijdensweg. We peddelen, we ploeteren, terwijl de wind onze kano van het rechte spoor afbrengt en ons tegenwerkt. Ons moraal lijdt eronder: we zien één enkel landmark, een huisje met rood dak aan de westelijke oever, een eiland ook ten westen van ons, een klif recht voor ons uit en we zien dat we geen vooruitgang boeken. Na drie uur leggen we de kano aan de kant en hebben we nog geen 5 kilometer afgelegd. Een boterhammetje voor de lunch? Nee, helaas blijkt dat van alle zakken, tonnen en tassen die we meesleuren, die met het brood niet meer bij ons te zijn. De vier broden zaten in de dure Ursack, een speciale anti-beerzak en die ligt nog op de kampeerplek. Daar hebben we in de VS US150 voor betaald en slechts een paar keer gebruikt, maar goed, gelukkig hebben we heel veel eten bij ons.
We peddelen, we ploeteren, iets van tien uur lang totdat we het opgeven: we zijn in totaal 17 kilometer opgeschoten... Het meer is iets van 50 kilometer lang en we zijn nog niet eens op de helft en lopen na twee dagen al één dag achter op het schema van 60 kilometer per dag..
Maar ook nu weer, vergoedt de fantastische kampeerplek veel. Maar dit keer niet alles. We blijven best boos op het kano verhuurbedrijf. Lake Laberge oversteken, kost heel veel tijd. Het lijkt uitgesloten om binnen 13 dagen Dawson City op 750 kilometer te bereiken. Pffff. We hebben hier nog net een beetje bereik, genoeg voor e-mail contact met het verhuurbedrijf. Dat lijkt zich in te dekken door nu te vertellen dat de kanotrip naar Dawson City gemiddeld 16 dagen duurt en ons te adviseren om dan maar halverwege in Carmacks te stoppen. Nou zeg! Op basis van de oorspronkelijke informatie van Kanoe People hebben we een terugvlucht vanuit Dawson City geboekt. Dawson City lijkt nu niet haalbaar. We besluiten het verder maar te laten rusten: Carmacks gaan we zeker wel halen binnen de 9,5/10 dagen die ons nog resten en wie weet krijgen we het nog op onze heupen als we eenmaal van dat rotmeer af zijn.
Op dag drie zetten we ons doel op het eind van Lake Laberge. En dat is nog zeker 30-40 kilometer verder. Het waait nog steeds een beetje tegen, maar minder en we zijn vastberaden. We moeten en zullen dit &%#@!-meer vandaag achter ons laten! De hele dag kijken we tegen een soort mist aan in het noorden. Later hebben we het vermoeden dat dit wel eens rook van een of meerdere bosbranden verder noordelijk zou kunnen zijn. We hebben daar echter niets over gehoord.
Ondanks dat het dus een mega populaire kanoroute is, zijn er geen andere kanoers op het meer en ook geen andere bootjes van toeristen of vissers of zo. Ergens halverwege de dag zien we toch eindelijk een bootje dat ons op grote afstand passeert en ver voor ons ergens afmeert. We peddelen er heen, in de hoop dat ze ons op sleeptouw kunnen nemen naar het einde van het meer. Het duurt wederom verschrikkelijk lang voordat we het afgemeerde bootje bereiken. We raken aan de praat met de twee opvarenden. Ze wonen in een huis aan het begin van het meer en gaan er graag op uit in hun schuitje. Na een tijdje durven het we te vragen: kunnen jullie ons slepen? ze lachen, 'Lake Laberge can be a bitch'. De schipper durft het niet aan, zowel voor zijn boot als die van de onze. Dus door met peddelen en ploeteren en op ons tandvlees bereiken we op het einde van de middag de noordkant van het meer. Het is nog even speuren waar dan de Yukon rivier weer verder gaat, maar die weten we te vinden. Eindelijk! De rivier 'begint' weer en de stroming is eindelijk weer voelbaar. Zo varen we nog kilometers door naar een kampeerplekje.
Voordeel van dat er niemand nu kanoet is dat we de plekken voor onszelf hebben. We vinden een kampeerplek op een eilandje midden op de best snel stromende blauwe rivier. Die plek is wederom idyllisch! Supercool!
De kampeerplek nummer drie op dit eiland is wederom fantastisch. We wanen ons veilig want de wild stromende rivier rondom dit eiland zal de beren afschrikken. Een paar dagen later horen we dat beren uitstekende zwemmers zijn en juist graag dit soort eilandjes bezoeken. Enfin, we hebben de moed er weer in, ook al beseffen we dat we niet verder dan Carmacks zullen komen.
Op dag vier wordt er flink gepeddeld, maar het gaat nog steeds niet soepel. Ontelbaar vaak moeten we de peddel overpakken om bij te sturen: "rechts, rechts! Stop, links, links!", roept 'stuurman' Harry. Pas later komen we erachter dat stuurman Harry letterlijk het heft gewoon in eigen handen heeft. Hoe komen we daarachter? Nou, op dag 4 van onze tocht worden we zowaar ingehaald door twee jonge mannen in een kano. Ze gaan een stukje sneller dan wij en lijken een stuk koersvaster te zijn dan wij. Harry verklaart hun snelheid aan de geringe bagage die ze aan boord hebben én aan de leeftijd die ze hebben. Maar Roelie ziet de techniek van de achterste persoon: hij maakt zijn slag af met een correctie op de richting. Hierdoor wordt er nauwelijks gezigzagd en hoeft er niet overgepakt te worden. We besluiten -overigens met gekibbel en gemopper- die techniek uit te proberen en warempel, zó werkt het! Toch jammer dat we deze basis stuurtechniek niet mee hebben gekregen van YouTube of Kanoe People. Hoe dan ook; er komt een volle brede smile op Harry's stuurman-gezicht: Vamos!
We varen inmiddels in het gebied waar bosbranden hebben gewoed en zien hier en daar zelfs uitslaande vlammetjes in bossages langs de oever. Dat verklaart de eerder gespotte rookwolken. Zolang we in de boot omgeven worden door water, zijn we veilig. Voor de lunch leggen we aan bij een kampeerplek waar we mensen treffen. Een beheerder, vrijwilliger, is net gestart met een kettingzaag. Hij verontschuldigt zich voor het lawaai, maar dat wuiven we weg en leggen dankbaar een paar mooie stukken brandhout in de kano. Hij vertelt ons ook dat de bosbranden niet gevaarlijk zijn en al maanden gaande zijn. De kampeerplek is wederom geweldig mooi, maar het is nog vroeg en we hebben Dawson City nog niet volledig afgeschreven. Met de stroming en de nieuwe techniek, gaan we best lekker.
Halverwege de middag leggen we aan waar een paddlesteamer, een raderboot -ontworpen om een zo gering mogelijk diepgang te hebben- op een eiland ligt. Die boten werden vroeger in de winter op het droge getrokken, als de Yukon begon dicht te vriezen. Daarna namen postkoetsen het over. Met de aanleg van wegen, aanvankelijk voor postkoetsen, later voor gemotoriseerd verkeer, werd er geen gebruik meer gemaakt van deze raderboten. Anyway, deze raderboot is uiteindelijk om deze reden op een eiland blijven liggen. Het YouTube stel vond natuurlijk ook deze boot 'supercool!!' en dat roepen we dan ook maar weer als we rondstruinen.
We varen nog een stukkie door voordat we aanleggen bij een campspot en je raadt het al: alweer geweldig! We zijn er inmiddels wel achtergekomen wat wij 'supercool' aan de kanotrip vinden: de kampeerplekken! Deze kampeerplek is de laatste met een zogenaamd kluistoilet, maar dat weten we dan nog niet. Hierna is het ouderwets kuiltje graven. Wij noemen het toilet de (plastic) troon uit de Game of Thrones: je zit als een keizer(in) midden in de natuur en overziet alles terwijl je je behoefte doet.
We kanoën verder, midden door de wildernis. Nergens zijn mensen, nergens hoor je mensen, nergens zie je een gevolg van menselijk handelen behalve dan op de kamepeerplekken. Het valt ons wel een beetje tegen hoeveel wildlife we vanuit de kano zien. Maar uiteindelijk mogen we echt niet klagen: onderweg komen we minstens tien bald eagles, visarenden tegen. Eentje voert een duikvlucht uit en stijgt succesvol met een vis in zijn klauwen weer op. Hoeveel mensen op deze wereld hebben zo'n tafereel met eigen ogen gezien? We lachen om de bevers die hun territorium bewaken en naar onze kano zwemmen om vervolgens, al duikende, met hun staart hard op het wateroppervlak te slaan alsof ze ons daarmee willen wegjagen. We zien twee zwarte beren, die zo te zien nog nooit mensen hebben gezien en haastig het hazenpad kiezen. En tenslotte zien we het dier, dat al sinds Montana USA op ons verlanglijstje staat, een moose, oftewel een eland. Wat een machtig beest. Het is een vrouwtje en we maken een onscherpe foto. Later zien we nog een mannetje met imposant gewei verschijnen.
De beoogde kampeerplek ligt op een eiland maar er staat in ons boek niet aan welke kant. We kiezen links, zien niets en leggen snel aan om het eilandje te voet te bekijken voordat we er voorbij zijn. De kampeerplek met een prima aanlegplek ligt aan de andere kant. We worstelen ons weer door het bos en vinden de kano terug. Wat is slim: tegen de stroming in terugpeddelen om dan de andere kant te halen of verder afzakken tot het einde van het eiland en dan een poging doen om terug te pedellen. Gevoelsmatig voelt het eerste beter. We achten het risico te groot dat we niet tegen de stroom in kunnen peddelen als we er eenmaal omheen zijn en dan nog verder moeten. Dus peddelen we ons een apelazarus terug naar de punt van het eiland waarna de ultieme proef begint om de punt te ronden. De stroming werpt ons tegen de punt van het eiland en we dreigen opnieuw te kapseizen. Roelie schopt snel de schoenen uit en gaat op sokken het water in om de boot recht te houden en om de punt te trekken. Het lukt. Supercool van die superwoman!
De zesde dag wordt opnieuw een ultieme proef. Willen we Dawson halen, dan moeten we proberen vandaag Carmacks te halen of er in ieder geval dicht bij in de buurt te komen. Het is een gigantische afstand, maar als we dat flikken, dan kunnen we Dawson ook halen! Iets wat we al na etappe twee voor onmogelijk hadden gehouden. Maar als we vandaag weer niet meer dan iets van 60 kilometer doen, dan wordt Carmacks het eindstation en dat is prima. Dat zou zelfs verstandig zijn. Het kamperen is prachtig, maar het kanoën is niets voor ons. Het is zo saai.
Halverwege de dag zien de eerste tekenen van menselijk ingrijpen in de natuur. Er ligt een weg naast de rivier. In alle uren dat we die volgen komt er in totaal één vrachtwagentje over die weg, dus heel erg verstorend is het niet. Verderop ligt zelfs een soort van een verlaten dorp dat Little Salmon heet en kampeerplekken blijkt te hebben. We lunchen er en stappen daarna weer in de kano. Inmiddels is dan duidelijk dat we Carmacks niet gaan halen. Er liggen mooie plekken zo'n 10 tot 15 kilometer voor Carmacks en dan kunnen we nog zo'n ultieme kampeerervaring doen.
Harry krijgt ondertussen steeds meer last van zijn rug / borstkas / middenrif / torso. Iedere dag krijgt hij meer last. Het lijkt alsof er iets in de rug vast gaat zitten en dat daardoor de ademhaling geblokt wordt. Soms zit er niets anders op dan languit liggen en wachten tot het een beetje wegtrekt. Soms zoeken we daar de kant voor op en soms ligt hij even in de kano. Zonder stuurman blijkt inderdaad de kano volstrekt onhandelbaar en zit er voor Roelie niets anders op dan ook even te gaan liggen. Dankzij de stroming komen we gewoon wel verder, maar irritant is het wel en ook een beetje zorgelijk want het is niet duidelijk waar de pijn vandaan komt. Hij heeft het wel vaker en vaak bij het wandelen, nooit bij het fietsen, oftewel als hij dingen doet, die hij niet leuk vindt.
Helemaal klaar met het peddelen zien we al van ver dat er twee kano's liggen bij onze beoogde kampeerplek. Potverdriedubbeltjes, nee he!!! Daar gaat ons plan. We leggen aan om toch even te checken of die kanoers niet toevallig nog wel verder willen en Carmacks bereiken en we daar kunnen kamperen. De plek ligt wat verhoogd en als we het plateau op komen zien we verspreid drie tenten staan plus drie niet heel erg vriendelijke gezichten. Als we even met ze praten en vertellen dat wij nog doorgaan, ontdooien ze wat. Ze zijn Amerikanen uit Texas en komen van de Salmon River, een zijrivier. Carmacks is inderdaad hun eindpunt, maar daar worden ze morgenmiddag opgehaald. Ze hebben al veel in deze omstreken gekanood en vertellen dat er steeds meer rivieren in de Yukon zullen stromen waardoor de stroming steeds sterker wordt. Op het laatst doe je makkelijk 100 kilometer op een dag, beweert de man. Dat klinkt bemoedigend, maar we nemen ons voor dat in Carmacks te verifiëren, want de man komt nogal arrogant, brallerig en borstklopperig over, nogal stereotype voor een Amerikaan dus. Hij vertelt dat er nog enkele prachtige kampeerplekken zijn tussen hier en Carmacks. Laten we hopen dat we eentje kunnen vinden, want Carmacks is nog iets van 17 kilometer. We turen de oevers af en zien een plek met een pad naar een hoger talud. En daar vinden we opnieuw een ongelooflijk mooie kampeerplek met een million dollar view!
Uiteindelijk hebben we dus toch een gigantische afstand gedaan. We zitten slechts iets van 5 tot 10 kilometer voor Carmacks. Door het verhaal over de stroming van die Amerikaan, is er weer meer hoop dat we Dawson City kunnen halen. We besluiten om de volgende dag naar Carmacks te varen, de tent op te zetten, een was te draaien, douchen, horen of het verhaal van de Amerikaan klopt en op internet uitpluizen wat de opties zijn, weersverwachting checken, recherche naar de beoogde etappes, etc. Dan kunnen we, als we beslissen door te gaan, 's middags boodschappen doen om de voorraden aan te vullen.
De camping heeft ook een klein winkeltje. Bij het inchecken zien we dingen liggen die we nodig zouden hebben als we doorgaan en zonder er maar een moment bij stil te staan, rekenen we alles af. Als de was draait en we gedoucht aan een picknick tafel klaar zitten om nader onderzoek te gaan doen, beseffen we onze fout. Wat moeten we met die spullen als we hier stoppen? Hebben we onbewust al gekozen om door te gaan? We zien het als een aanmoediging en maken een boodschappenlijst voor de winkel verderop.
De camping heeft een paar fietsen staan om te gebruiken en die zijn, op z'n zachts gezegd, niet al te best. Vooral Harry heeft het zwaar op zijn BMX fietsje met lekke banden en mega slag in het wiel. Zo gek is dan kanoën nog niet! Hahaha, we hebben er weer zin in, maar dan wel alleen in het kamperen. Dat verhaal over de sterkere stroming wordt door niemand bevestigd, ook niet door de groep Europeanen die stopt in Carmacks op hun weg terug Whitehorse na nu kanotocht van hier naar Dawson over de Yukon. We gaan daar dus ook maar niet vanuit. De groep vertelt dat ze maximaal 50 kilometer op een dag deden en helemaal geen wilde dieren hebben gezien.
Er staat maar één andere kanoer op de camping en die vertrekt de volgende ochtend een stuk eerder dan wij. Enkele weken eerder stonden er wel twintig tenten. Het seizoen loopt op z'n eind. Het weer is nog steeds erg mooi voor de tijd van het jaar en de herfstkleuren zijn prachtig. Voor de komende dagen wordt de kans op neerslag groter, en het wordt iets kouder. We stappen in de kano en mikken op etappes van 70 tot 80 kilometer waarbij we elke keer hopelijk weer op mooie kampeerplekken uitkomen. In dit tweede deel zijn daar overigens volgens ons route-boek een stuk minder van te vinden.
De eerste etappe na Carmacks is het spannendste deel van de hele tocht. Er zijn twee rapids, stroomversnellingen, te nemen en ondanks dat we er al bijna 400 kilometer op hebben zitten, noemen we ons nog helemaal niet ervaren. De stroomversnellingen zouden het beste aan de rechterkant genomen kunnen worden en het lukt ons zowaar om daar ook op uit te komen. De eerste, de Five Finger Rapid, hebben we al aanschouwd vanaf onze fietsen. Het water is woelig, maar we slaan ons er beide keren best goed doorheen al vinden we ze best spannend.
We stoppen 's middag bij Yukon Crossing, een historische plek in die zin dat er verschillende verlaten hutten staan die vroeger in de goudkoorts-tijd zijn gebruikt. De plek zou ook geschikt zijn om te kamperen, maar de kampeerplekken zijn wat verder van de rivier gelegen en die vervallen hutten geven een ietwat sinistere sfeer. We stappen weer in om naar de volgende plek te gaan.
Die plek ligt vlak achter een eiland en we betwijfelen of we de linker oever kunnen halen als we het eiland aan de andere kant passeren, de kant waarop volgens de kaart de stroming is. Om de plek niet te missen, kiezen we ervoor om links te houden, maar er is meteen al bijna geen stroming. Het water staat er heel laag water en daar gaan we dan weer op de sokken het water in om de boot er doorheen te trekken en dat is de verkorte en zakelijke versie van een half uur fitten op elkaar.
Anyway, we komen weer op een heerlijke plek. Er is regen in de avond voorspeld en hier staat ook een hut waar in geslapen kan worden. Die is echter heel erg donker en een beetje vervallen. We gebruiken voor het eerst het grote zeil dat we hebben meegenomen. Die hangen we boven de tent, maar daarna vinden we dat onzin. De tent kan wel tegen regen en dan is het beter om de tarp boven het wankele tafeltje te hangen dat op de kampeerplek is te vinden en waar de tonnen en tassen omheen staan.
Het volgende dagdoel is Fort Selkirk, een voormalige handelsplek voor de First Nation people al is die eigenlijk net wat te ver. We zien wel weer of we het halen. Het wordt een lange saaie dag. De plekken waar we onderweg even stoppen zijn meestal niet heel leuk: kale grindbanken, zachte oevers (Roelie zakt een keer tot de enkels weg in de drek) maar dat wordt enigszins gecompenseerd als we bij een kampeerplek stoppen voor de lunch en net nog een driemanskano zien vertrekken. Ze blijken een vuurtje te hebben gehad, dat nog niet helemaal uit is. Een groot blok gloeit nog en er ligt her en der voldoende hout om het vuurtje opnieuw leven in te blazen. Het wordt een warme, knusse lunch. Op het terrein staat een keurige hut met ramen en een kachel. Het wordt moeilijk om te vertrekken maar het lukt ons om verder te gaan. Het is nog te vroeg om te stoppen.
Als we laat in de middag eindelijk Fort Selkirk in zicht krijgen moeten we volop aan de bak om niet vast te lopen in de ondiepe delen. Het water in de rivier staat niet zo hoog meer. In ons boek straat soms ook aangeven dat kampeerplekken niet geschikt zijn bij laag water en dan moet je inderdaad een steile oever op om bij de kampeerplek te komen. Vlak voor Fort Selkirk mondt de Pelly River uit in de Yukon en dat brengt een hoop grind mee. Het water staat niet zo hoog en het grind schiet te dicht onder de boot door als we uit alle macht peddelen om in dieper water te komen.
Maar we halen het dus weer. Er is een gigantisch veld met picknicktafels, brandhout, een grote bijl, vuurplaatsen, kluistoiletten en een grote gezellige hut met een kachel zoals we die eerder op kampeerplekken in Canada hebben gezien. We ontmoeten daar kanoër John die met zijn grote hond (voor de kenners: een Landseer) op pad is en een dagje extra in Fort Selkirk is gebleven. Hij is Canadees en woont in Haines Junction, niet zo ver van hier. Hij is een zeer ervaren kanoër en heeft zijn hond meegenomen op deze trip. Hij fiets ook graag en gaat later dit jaar de bikepacking route Baja California doen. Later komen er twee Alaskanen op een luxe raft aan. Zij heeft allemaal pijntjes en kan niet zo veel, maar wel dik in de kleren voorop op het raft zitten. Haar vent komt met een rode kop boven met de eerste van vele zware tassen. Madam wenst wel enige luxe, vertelt ze. Harry krijgt medelijden met de kerel en helpt een handje totdat ook zijn rug begint te protesteren. Je kunt inderdaad veel meenemen op een boot, maar je kunt ook overdrijven.
Het begint net lichtjes te regenen als we de volgende ochtend de tent afbreken en het is fris. De kachel in de hut biedt uitkomst en het is daarna (opnieuw) moeilijk om de knusse warme hut te verlaten en in de boot te stappen. Een late start maar goed, ongeveer tegelijk met de Canadees en zijn hond en nog ruim voor het stel uit Alaska alles weer op het raft heeft teruggezet.
Zo rond het middaguur zoeken we een plek om aan te meren en volgens het boek is er een goede kampeerplek op een eiland en daar koersen we op aan. Op het grind van de punt van het eiland ligt een kano en er cirkelt een sliert rook omhoog tegen de bosrand. Het is de driemanskano die we gisteren weg zagen varen en we leggen onze kano ernaast. We halen helaas de grindbank niet er krijgen hulp van de mannen om ons op het droge te trekken. Het zijn drie Duitse, goed Engels sprekende, jongemannen en één struint meteen door het aangespoelde drijfhout om voor ons het vuurtje op te stoken. De mannen hebben hier overnacht en zitten de halve nacht naar de sterren te kijken en hopen op noorderlicht waardoor ze 's ochtends pas laat opstaan. We blijven een tijd kletsen. Ze hebben heel ruim de tijd om Dawson City te bereiken, waarna wij ze met enige jaloezie nakijken als ze heel solide en krachtig wegvaren.
Als wij enige tijd later ook vertrekken zien we de Canadees met z'n hond op het strandje staan dat nog geen honderd meter verder op het eiland ligt. Hij roept naar ons dat er verse beren sporen in het zand staan. Hij was degene die vertelde dat de beren prima kunnen zwemmen en bij deze meteen de bevestiging. We zijn benieuwd of de Duitsers of de Canadees dezelfde kampeerplek kiezen. Er zijn er niet zoveel in dit deel, maar er zijn ook veel plekken die niet aangemerkt zijn in het boek. De goede kampeerplek op het eiland lag tussen de punt waar de Duitsers hun tenten hadden opgezet en het strandje met berenafdrukken waar nu ook de afdrukken van Canadeze laarzen en hondenpoten zijn te vinden. Onze beoogde kampeerplek als dageinde ligt weer op een linkeroever met een eilandje ervoor en de stroming aan de verkeerde kant. Omdat een ezel zich in het algemeen niet twee keer aan een steen stoot, varen we langs het eiland aan de verkeerde kant en zijn uiterst alert want na het eiland ligt een zandbank en daar willen we tussendoor, als het kan. De stroming is niet heel sterk en het water diep genoeg om bij de kampeerplek aan te meren. Geen Canadees en geen Duitsers, we hebben de wildernis weer helemaal voor ons alleen.
Iedere dag nemen we in het boek door hoe we de dagetappes kunnen invullen om op tijd in Dawson aan te komen. We liggen nog steeds goed op koers. Mocht het een dagje of een halve dag regenen, en we geen zin hebben, of het te koud is, dan is daar ruimte voor en dat is een fijn gevoel.
Het kamp van de Duitse mannen, zien we de volgende ochtend kort na vertrek. Ze hebben zo op het eerste oog een veel mindere plek uitgekozen dan wij. Een van de jongens is wakker en heeft het vuur alweer aangemaakt. We fluisteren zachtjes een 'Gütemorgen' erop vertrouwend dat het water het geluid draagt zonder de anderen wakker te maken en varen door. Het wordt een lange saaie dag met veel rechte lange stukken en zoekend naar de sterkste stroming en altijd het idee hebbende dat het aan de andere kant sterker stroomt dan waar je vaart. We kunnen op deze tiende dag nog steeds de rivier niet lezen. Is de stroming het sterkst in het midden en bij een bocht aanvankelijk in de binnenzijde en eenmaal om de bocht juist aan de buitenkant? Het is ons in Carmacks uitgelegd door die Texaan, maar het lijkt zo vaak niet te kloppen, dat we maar blijven proberen en zoeken en van links naar rechts blijven dwalen. Dat deden we aanvankelijk omdat we niet konden sturen, nu doen we dat dus nog steeds. We zijn het ook nooit eens over waar de sterkste stroming is. Waar we het wel over eens zijn, is dat kanoën niet leuk is. Voor Harry is het een ultieme beproeving en hij heeft ook nog steeds die vervelende pijn in zijn torso. Voor Roelie is het humeur van Harry de grootste beproeving. Nog even doorbijten en hopelijk straks weer genieten van een mooie kampeerplek. En ja hoor, we vinden weer een topplek met bankjes, tafels, een vuurplek, een dwarsbalk voor een zeil, spijkers om van alles op te hangen en een hele grote bijl.
's Avonds kunnen we voor de laatste keer kiezen uit drie verschillende maaltijdkeuzes die we hebben meegenomen uit Carmacks: couscous met kikkererwten, avocado en witte kaas, aardappelpuree met een dikke goed gevulde vlees- en champignonsaus of pasta met paprika, wortel en ui in een tomatensaus met chorizo. Ook hebben we nog noodreserves als een droogvriesmaaltijd en noodles. We hebben ook nog een grote zak wijn en knabbels zoals nootjes, tuctucjes en babybel-kaasjes voor voor het eten. Na het eten als toetje een blokje chocolade. We hebben het al eerder gezegd: de kano heeft als grote voordeel ten opzichte van de fiets dat je heel veel kunt meeslepen. Ontbijt en lunch is granola, brood of knäckebröd met humus of Nutella en een appel. 's Ochtends drinken we twee koppen instantkoffie en tijdens het varen nemen we af en toe gedroogde mango of cranberry's, een mueslireep of een snoepje zoals de pepermuntbol of Werther's echte. Uiteindelijk zijn we dik tevreden met de variatie en hebben we nooit honger.
We drinken aardig veel water en raken door de riante voorraad heen. We hebben gisteren een oogje open gehouden om bij een stroompje te kunnen aftappen en filteren, maar zagen geen geschikte plekken. Het wordt, vanwege de toenemende concentratie sediment, niet aangeraden om water uit de Yukon te nemen. Het slib zorgt ervoor dat je waterfilter verstopt raakt. En dat wordt alleen maar erger: na enkele kilometers nemen we afscheid van de mooie blauwe Yukon. De White River stroomt hier in de Yukon en die naam is passend. De rivier neemt zoveel sediment mee dat de rivier grijswit kleurt en een schurende geluid is te horen als de kano door het water glijdt. Nu is het water alleen nog maar te gebruiken als we het eerst in een pan een tijd laten staan zodat het gruis naar beneden zakt. We hebben nog wel wat water en houden gewoon opnieuw een oogje open voor stroompjes die op de grote rivier uitkomen.
Ondanks dat de tent onder een zeil heeft gestaan was die toch aardig nat. De tent stond in een ondiepte en de harde regen zorgde ervoor dat er een stroompje onder onze tent doorliep. We hebben weer een lange dag voor de boeg en weten niet of de tent dan aan het eind van de middag voldoende droogt. Het is een stuk frisser dan de eerste paar kanodagen en alleen als de zon volop schijnt is het nog enigszins aangenaam. Op een recent drooggevallen zandbak leggen we alvast de tent te drogen en genieten we zelf even van het zonnetje.
De laatste kampeerplek ligt in een brede baai aan een zij-arm van de rivier. De hoofdstroming is ver weg en dat betekent dat we nog aardig lang over de laatste paar kilometer doen. Er lijkt bijna wel tegenstroming te zijn. De plek is ook niet helemaal duidelijk aangegeven op de kaart in het boek en we vrezen lang dat we de plek al voorbij zijn gevaren wat leidt tot wat gemopper en gezanik. We zijn moe en willen niet meer verder. Als we dan toch iets van een pad lijken te zien, en als het dan toch een perfecte plek blijkt te zijn, dan is het afzien snel vergeten en begint het genieten. Een eind terug is bovendien een stroompje en we zien iets hoger op vage sporen van mensen die langs het water richting stroompje zijn gelopen. We halen wat water en zagen wat hout in stukken en hebben weer zo'n ultiem gelukkig moment. Hoe bijzonder hoe snel we schakelen van misere naar voldoening; wat een tocht van uiteenlopende emoties.
De laatste dag op het water begint slecht. Het is nog een aardig eind kanoën voordat we weer iets van stroming vinden en als we die stroming hebben gevonden, valt die vandaag nogal tegen. Misschien komt het ook door dat sediment: het maakt de boot trager en het peddelen zwaarder. Bovendien hebben we op deze (hopelijk) laatste dag te maken met een pittige tegenwind. En tenslotte is het ook gewoonweg de vermoeidheid die ons parten speelt. Het leek op papier niet eens een lange etappe, maar we worstelen de hele dag in die klote boot.
Op zo'n vijftien kilometer voor Dawson City zien we een huis en niet veel later komt er een bootje ons tegemoet varen: de eerste tekenen van de bewoonde wereld. We zitten allebei fysiek en mentaal aan het eind van ons Latijn waardoor het gevoel van blijdschap, de voldoening van een puike prestatie, niet tot ons doordringt. Wat misschien het meest doordringt is het besef dat hiermee ons avontuur er op zit. Overmorgen vliegen we terug naar Europa.
Na nog een laatste pittige discussie over de juiste aanlegplek, stappen we de kano uit. Het was 750 kilometer en wij hebben er al zigzaggend flink meer gemaakt. Een onvergetelijk toetje na een prachtige fietsreis. Eén keer en nooit weer. Dat zeggen we nu. Maar het is waarschijnlijk dat we er later positiever op deze tocht terug zullen kijken. En was het anders geweest zonder de tijdsdruk? Waarschijnlijk wel. Maar kanoën blijft in onze optiek vreselijk saai en een beproeving voor onszelf (en ons huwelijk haha). Daartegenover staat dat de kano ons bracht naar de meest unieke kampeerplekken. Op die kampeerplekken, alleen in de wildernis, hebben we ons samen intens gelukkig gevoeld. Kortom, supercool!