Noord en Midden Zuidereiland

Gepubliceerd op 28 november 2019 07:19

 

Het Zuidereiland van Nieuw-Zeeland zou wel eens het allermooiste kunnen zijn dat we op deze wereldreis gaan meemaken. We hebben een maand de tijd om het te verkennen. En het begint meteen goed. De veerboot naar Picton is één van de mooiste overtochten ter wereld en dat is te geheel en al te danken aan de Marlborough Sounds, de fjorden langs de noordkust van het Zuidereiland. We zitten op de grootste boot van de Interislander-vloot en die is gemaakt door Van de Giessen De Noord in Nederland. Hollands glorie met een boel Hollandse reizigers aan boord. Eén buslading Nederlanders spreken we even later bij de supermarkt van het aankomstdorp Picton. We hebben water nodig en de dame van het visitors center beweert dat er overal fontains zijn om onze bidon te vullen; met de bidon in onze hand springen we op de fiets, maar als we het dorp uitfietsen zijn we geen enkel watertappunt tegengekomen. Er zit niets anders op dan teruggaan en water kopen en daar hebben we dubbelop een hekel aan: aan terugfietsen en aan plastic flessen.

 

Marlborough Sounds

 

We willen in anderhalve dag naar Nelson fietsen, de eerste stad van enige betekenis. Ons doel voor vandaag/vanmiddag is een camping bij Pelorus Bridge, iets van 55 kilometer verderop. Direct na Picton moeten we een paar pittig klimmetjes overbruggen. We fietsen deze middag langs de Marlborough Sounds op de Charlotte Drive, een zeer bochtige weg met tientallen prachtige uitzichten waar geen vrachtverkeer of grote bussen mogen komen en waar de maximumsnelheid op 50 is vastgelegd, dus ook niet interessant voor snelheidsduivels. Het is heerlijk rustig en tegen de verwachting in blijft het weer aardig goed. Alleen het laatste stuk van 20 kilometer - we hebben net de tweede beklimming van betekenis achter onze rug - durven we niet aan. De donkere wolken om ons heen ontwikkelen zich voorspoedig en voorspellen weinig goeds en dat terwijl we net door een sympathiek dorpje, Havelock genaamd, fietsen. Als we het uitfietsen knijpen we in de remmen en staan we vervolgens te dubben. Als we doorfietsen, gaat het waarschijnlijk heel hard regenen en slaan we onszelf voor de kop omdat we het op de camping never nooit meer warm krijgen. Als we hier in Havelock blijven, vallen er misschien een paar druppen en dan blijft het daarbij, terwijl we warm en droog in een goedkoop motelletje zitten. ‘Bij twijfel niet doen’ is een beproefd criterium als het gaat om zogenaamde shortcuts. We zetten ‘m nu in en blijven in Havelock. Volkomen onderbelicht in die overwegingen is dat het morgen sowieso veel zal regenen en dat minder kilometers fietsen vandaag, betekent dat we morgen meer kilometers in de regen moeten verhapstukken.

 

In de supermarkt raken we aan de praat met Frank uit Duitsland. Hij gaf ons eerder bij doorkomst in het dorp een duim op. Hij vertelt dat hij ook op de fiets reist en 22 dagen heeft om de westkust af te dalen. Hij heeft alle accommodaties vooraf geboekt en fietst morgen naar Nelson. Dat is ook ons doel, maar met het oog op de voorspelde regen: hij moet (gezien de boekingen vooraf) en wij kunnen (genoeg tijd en niks geboekt). Als we teruglopen naar het motel valt er wat regen: jaaa, we hebben een goede beslissing gemaakt om hier te blijven! Achteraf blijft het bij deze paar druppen.

 

De volgende ochtend begint droog, maar precies volgens de weersvoorspelling begint het vanaf negen uur pijpenstelen te regenen. Diezelfde weersvoorspelling geeft aan dat het later in de middag weer droog wordt en dat de zon zal doorbreken. Dat geeft de fietser moed terwijl hij/zij de regenkleding onder de onderste regionen van de fietstas opdiept. Later vandaag drogen we wel weer op, toch? We hebben wind tegen en de regen is bizar koud. Lange tijd fietsen we achter Frank die blijkbaar net een paar minuten eerder uit Havelock is vertrokken dan wij. De eerste mogelijkheid om te schuilen is bij die camping op 20 kilometer van Havelock, bij de Pelorus Bridge. Er is daar een koffietentje en het zit er vol met… Nederlanders. Daar zijn ze weer! Niet dezelfde bus als gisteren overigens, maar wel weer leuk om de vele op ons afgevuurde vragen te beantwoorden. Onze sympathieke oosterbuur Frank is er ook en we besluiten met ons drieën om onder het genot van koffie, een dak boven ons hoofd en een hoop gekletst, hier de ergste regen uit te zitten. Na het middaguur zetten we ons weer op het zadel en mogen we nog twee flinke klimmen en 60 kilometer doen. Bij de tweede serieuze klim krijgen we opnieuw een flinke koude bui over ons heen maar dan breekt toch echt de voorspelde zon door. In Nelson genieten we de warmte van de zon op een terras van een brouwerij in een verbouwd oud kerkje maar dan wel met onze dikke jassen aan.

 

onderweg naar Nelson

 

Na dit genietmomentje fietsen we over een voormalig treinspoor naar Stoke, een wijk van Nelson en hometown van Andy, onze warmshowershost die ons hopelijk weer wat advies kan geven over de route op het Zuidereiland. De van oorsprong Britse Andy heeft heel veel gefietst maar niet op het Zuidereiland. Dat gaat hij in februari doen. We hebben dus weinig aan zijn advies, maar zijn dankbaar voor de warme douche, de veganistische lasagne en een fijn bed. De volgende morgen gebruiken we zijn garage om de fietsen weer even te checken en in te vetten. Andy heeft ooit gewerkt bij een fietsenwinkel en heeft een verzameling fietsen en gereedschap om U tegen te zeggen. Hij fietst met ons mee richting zuid om ons de kortste weg te laten zien. Hij fietst overigens niet echt met ons mee, maar gaat een beetje voor ons uit racen en dat is een beetje vreemd. Wij gaan vandaag namelijk een hele korte afstand fietsen: 25 kilometer en hebben alle tijd van de wereld maar Andy geeft z’n stalen ros de sporen. Na bijna 20 km neemt hij afscheid en fietsen we op ons dooie gemakje de laatste paar kilometer naar een cottage waar een hechte familie varkentjes en een groepje koeien onze naast buren zijn. De stieren wonen een weiland verderop, blijkbaar zijn ze niet blij met het feit dat er geen koeien binnen het prikkeldraad rondlopen, want ze ‘loeien’ er op los, dag en nacht: mannelijk stoer klinkt het overigens niet, eerder ‘desperate’.

 

Gezellige buren

 

We zitten in een gebied met de naam Eighty Eight Valley en fietsen een route die in ons boek Golden Downs Trail wordt genoemd en die populair zou zijn voor racefietsers omdat ze vanuit Nelson lekker twee bulten op kunnen beuken en daarna terug kunnen freewheelen. Wij doen ze met bagage en klimmen langzaamaan (langzaamaan omdat we ook veelvuldig weer stukken afdalen en weer opnieuw beginnen aan de klim) naar Saint Arnaud op ongeveer 700 meter boven zeeniveau. Saint Arnaud klinkt Frans en wij neigen ernaar om het op z’n Frans uit te spreken, maar we horen van de moteleigenaar dat men dat hier protserig vindt klinken en ze spreken het daarom op een Engelse manier uit. Op weg naar Saint Arnaud betrok de lucht wederom naar de inmiddels bekende donkere tinten en we hebben weer zo’n ijskoude bui over ons heen gehad en er komen er nog veel meer aan. In plaats van die basic maar verrassend prima camping aan het meer checken we weer in bij een motel. Dit past niet in ons budget, maar dat is voor later een zorg. Voor nu is een warme douche en verwarming noodzakelijk en dat kan het motel ons bieden. Maar eerst fietsen we snel in de zon tussen de buien door naar het meer: Lake Rotoiti, verwarrend genoeg dezelfde naam als het meer op het Noordereiland bij Rotorua, maar dat terzijde. De besneeuwde toppen van de bergen rond het meer zijn nauwelijks te zien door de laaghangende wolken, maar het geeft toch een prachtig gezicht. Lang geleden in de laatste ijstijd, dus vóór de huidige climate change, heeft hier een gletsjer gelegen, vertelt de moteleigenaar. Hij vertelt nog een boel meer over de plaatselijke historie en geeft daar steevast een grappige draai aan: leuke, interessante vent.

 

op weg naar Saint Arnaud

Lake Rotoiti bij Saint Arnaud

 

Vanaf Saint Arnaud willen we de Rainbow Road nemen: twee dagen lang niemand tegen komen en een gravelweg bedwingen, waar we de fietsen over afgesloten hekken gaan tillen. De route is alleen open in de zomermaanden, tussen Kerst en Pasen, maar je kan (telefonisch) een ontheffing aanvragen en die hebben wij (telefonisch) gekregen. Een deel van de weg is weggeslagen en daar moeten we de fiets tillen. Een deel te steil is om te fietsen is en daar moeten we de fietsen duwen. Een deel te steil (>25%) naar beneden gaat en daar moeten we lopen. Halverwege is een hut met stapelbedden en (belangrijk) verwarming want ’s nachts is het nu nog dik onder nul. Heerlijke uitdaging!!! Of..., of nemen we die weg toch niet? ’s Ochtends is het berenkoud (-3) en oppert Harry een idee om de Rainbow Road links te laten liggen. Waarom zouden we onszelf die uitdaging c.q. ellende gunnen als we ook 60 km naar het dorp Murchison kunnen downhillen en nog steeds alle routeopties openhouden. Goed idee, Harry! Geen Rainbow Road dus.

 

De ijzige koude wind blijft ons die hele 60 kilometer parten spelen. Er staat maar weinig wind maar in de vallei waar we ons doorheen naar beneden duwen neemt die toch een stormachtig karakter aan. De wind is koud en dat doet ons opnieuw inchecken bij een motel. Het plan om de koude en winderige westkust te verruilen voor de warmere oostkust krijgt steeds meer steun in kamp Heart to Beat.

 

Die kou trekt de volgende dag langzaamaan uit de lucht en we fietsen een aardig mooie route van Murchison naar Reefton. We volgen voor de tweede dag op rij het dal van de Buller River en die is vrij woest en uitstekend geschikt voor raften en dat wordt dan ook gedaan op delen van de rivier. Wij fietsen langs steile rotswanden met vaak het gekletter van een neerstortende waterval of creek. De Buller River gaat “rechtdoor” naar zee en wij slaan af om meer in het binnenland te blijven fietsen. Na een rustige achteraf weg komen op een eveneens rustige hoofdweg die naast een spoorlijn loopt. De hoofdweg is net als de spoorlijn vrijwel kaarsrecht en pal tegen de windrichting in en de ijzige kou is misschien wel uit de wind, maar de kracht zeker niet. We ploeteren de laatste 26 kilometer tegen die wind in voordat we in Reefton aankomen, een zo op het oog ultiem christelijke dorp uitgaande van het aantal kerken en andere symbolen dat we zien. We zullen ons deze keer maar weer eens gedragen.

 

op weg naar Murchison

 

Eindelijk staan we weer op een camping en ene met een camp kitchen en dus is het weer leuk socializen met andere gasten. Het is zoveel leuker om in de zon en warmte te kamperen dan in de kou en regen in een motelkamer opgesloten te zitten. Het is nu duidelijk, we gaan naar de oostkust. Om daar te komen zit er overigens niets anders op dan nog heel even de wind, kou en regen van de westkust te trotseren. Die wind, kou en de regen hebben blijkbaar de volgende dag vrij genomen, een sickie noemen ze dat hier en daar hebben wij natuurlijk helemaal geen probleem mee. We fietsen zo’n 85 kilometer over rustige wegen door valleien en naast brede rivieren naar Moana, een dorp aan Lake Brunner. Het is zo’n perfecte dag dat we ter afsluiting sinds lange tijd een ouderwets pintje pakken op een terras met uitzicht op het meer.

 

En zoals altijd, komt aan al het moois uiteindelijk een eind. Dat eind is de volgende ochtend als we in de regen de tent afbreken. Het is de dag van de oversteek naar de (hopelijk) warme en droge oostkust en de eerste etappe leidt naar de Arthur’s Pass op iets boven de 900 meter hoogte. In principe is die etappe vrij eenvoudig met uitzondering van de laatste 7 kilometer met stukjes meer dan 10%, zelfs meer dan 15% en uitschieters van 20%. De weg zelf is niet ideaal voor fietsers: smal, onoverzichtelijke bochten en geen shoulder: we poetsen onze spiegeltjes nog maar een keer extra op. De weersverwachting voor Arthur’s Pass ziet er die ochtend nog best gunstig uit met circa 18 graden en alleen rond 10 uur ’s ochtend kans op regen. Wij zitten vanaf half negen op het zadel en het regent onophoudelijk pijpenstelen. Na 50 kilometer - inmiddels aardig doorweekt - en enkele 'close encounters' van narrige en/of onoplettende chauffeurs die ons rakelings passeren, slaan we af naar het enige koffietentje op de route om ietwat op te drogen en op te warmen. We worden daar twee keer aangesproken. Ten eerste door een man die ons aanbiedt mee te rijden naar de andere kant van de pas en ten tweede door de chauffeur die zijn verontschuldiging komt aanbieden omdat hij zo dicht langs ons is gereden, waar hij uiteindelijk ook van (en/of van onze reactie) geschrokken is. Netjes dat meneer 2 zich 'meldt' bij ons, maar vergiffenis krijgt hij niet. Voor wat betreft meneer 2 zouden we deze in 99,9 % van de gevallen hartelijk bedanken voor het aanbod en verder fietsen.  Dit keer kijken we elkaar met onze druipende koppies aan...: die aanhoudende regen, dat slechte zicht, die razende vrachtwagens en die krankzinnige en/of slechte chauffeurs...:  in no time kiezen we eieren voor ons geld: "ja graag!" klinkt er in koor. Er volgt een waanzinnig mooie rit naar de top, althans dat hebben we van horen zeggen, want door de regen en alle wolken is er helemaal niets van te zien totdat we ver voorbij de pas zijn. Chris en Tanya rijden naar Christchurch en vinden het prima om ons, waar we maar willen, uit te laten stappen, we mogen zelfs bij hen slapen als we willen. Het plan was om vandaag boven op Arthur’s Pass te stoppen en te kamperen maar het is er grijs, grauw, koud en nat dus iets verder door rijden lijkt ons de beste optie. Onderweg hebben we een geweldig leuke conversatie over van alles nog wat, Van Abel Tasman tot Donald Trump om maar iets te noemen.

 

Door regen en wind op weg naar Arthur's Pass

 

Na Arthur’s Pass wordt het droger en warmer en we stappen uit bij het dorpje Springfield. We beseffen ons terdege dat we een geweldig mooi stuk Nieuw-Zeeland (de afdaling en een tweede pas) hebben overgeslagen. Wat we wel hebben gezien is dat de meest steile stukken naar Arthur’s Pass moeilijk veilig te fietsen zijn en dat juist de steile stukken weinig ruimte bieden voor iemand die zijn fiets naar boven "kreunt". Soms vragen we ons tijdens onze reis af of we onze beschermengel tegenkomen, of dan op z’n minst de beschermheilige St. Christoffel: in dit geval waren het Chris en Tanya uit Christchurch. Wat een boel mooie mensen herbergt deze wereld, als je reist kom je ze tegen!

 

Selfie met Jill, Chris & Tanya

Heerlijk weer in Springfield

 

We zetten de tent op, zodat die in de zon en harde wind kan drogen, strippen onze natte kleren van het lijf en nemen een fijne warme douche op een fijne warme camping in Springfield.

 

Vanaf Springfield fietsen we in de richting van het centrale massief van de Southern Alps, met een vijftal bergtoppen ruim boven de 3.000 meter, waaronder Mount Cook, New Zealands hoogste met 3.750 meter. De weg ernaartoe brengt ons door Rakaia Gorge. Het is niet ver fietsen, maar we willen graag vroeg aankomen en in de middag een wandeling doen. De gastheer van de camping leidt ons naar een plek met een geweldig uitzicht op de Rakaia River die een geweldig brede en 150 meter diepe kloof heeft uitgesneden. De wandeling wordt stantepede ingekort. In plaats van een vier uur durende hike doen we een hike van anderhalf uur naar het eerste uitzichtpunt en terug naar ons tentje om te genieten van het geweldige uitzicht.

 

Rakaia Gorge

 

Tegen het eind van de middag komt er een stel Franse fietsers aan. Ze vertellen dat ze aan hun eerste fietsvakantie bezig zijn en vinden dat ze nog een boel moeten leren. Hun tentje is te klein en ze kijken verheerlijkt naar onze lichtgewicht stoeltjes. De volgende morgen gaan ze eerst de lange wandeling doen en willen daarna dezelfde afstand fietsen als wij, naar Geraldine. Het zou leuk zijn als we ze aan het einde van de dag weer terugzien al denken wij dat hun dagplan te ambitieus is.

 

Ons eigen dagplan brengt ons na een stevige klim de kloof uit op een mooie rustige weg die later langzaamaan saaier wordt met vlakke eentonige rechte wegen. De wind, die ons aan het begin van de dag nog lekker fanatiek door het mooie landschap blaast is op de rechte eentonige delen helaas weggevallen en we modderen aan tot in het stadje Geraldine. Het stadje heeft wat body, vibe en uitstraling (‘historic’ buildings!) en de camping ligt zowat in het centrum. Rond de camp kitchen heerst de gebruikelijke gezelligheid. Een Nederlandse vrouw vertelt over haar eigen vroegere fietsavonturen en brengt ons later uit Nederland meegenomen oude kaas en speculaas; een Nieuw-Zeelandse man komt aanfietsen na een meerdaagsrondje “in eigen achtertuin”; twee Canadese stellen bewonderen onze fietsen en geven ons een telefoonnummer voor het geval dat we op het eind van ons avontuur, anderhalf jaar verder, Montreal aandoen. Het fietsende Franse stel arriveert jammer genoeg niet.

 

Er rest nog een 'allerletste' fietsdag in deze blog en dat is de dag van dorp Geraldine naar Lake Tekapo, (alternatief) startpunt van Alps to Ocean Cycle Trail, de beroemdste, meerdaagse, mooiste en vaakst geadviseerde van de Great Rides. Het is uiteindelijk best een pittig dagje door eerst een klim naar het dorpje Fairlie en daarna een zeer zwaar stuk recht tegen de razende wind in naar Tekapo. Op dat laatste stuk van 16 kilometer – waar we meer dan twee uur over doen en bijna van de weg worden gereden door een paar Aziaten in een huurauto – besluiten we dat we best twee nachtjes kunnen boeken op de camping van Tekapo. Even een rustdag voordat we aan dé tocht op ons rondje wereld beginnen. Een heerlijk vooruitzicht totdat we de camping zien: kaal, duur en vooral overbevolkt. In de camp kitchen geen ge-socialize maar een struggle voor een plek aan een van de fornuisjes. Mooi niet dat we hier een dag extra blijven. Wij gaan door naar het mooiste deel van New Zealand! 

 

Lake Tekapo


«   »