Sunset coast

Gepubliceerd op 22 september 2019 10:00

In deze vierde blog en laatste deel van onze tocht van Darwin naar Perth, fietsen we langs de westkust zuidwaarts. De kustlijn heeft diverse benamingen, het gebied wordt vaak de Mid West van Western Australia genoemd. Wij geven het een mooie algemene naam: the Sunset coast. Voor de resterende kilometers hebben wij grofweg bekeken hoelang we er denken over te doen en dat gaat inderdaad met ‘de natte vinger’: 900 kilometer, 100 kilometer per dag, dus 9 dagen. We laten aan familie in Perth (of beter Mandurah) weten dat we op een zaterdagmiddag in Perth hopen te arriveren. Het werd toch iets pittiger en uitdagender dan vooraf gedacht…

 

 

Wat een superfijne tijd hebben wij op de camping van Warmshowers hosts Nic en Donna. Helaas zijn zij er niet, maar in de camp kitchen ontmoeten we Nicky en Inge, Vera en Rosa (allemaal gezellige Nederlandse dames). Op de tweede ochtend voegt fietsende Bob uit Gelong, Victoria zich bij ons. We zijn hem voor het eerst in Port Hedland, zo’n 1000 km geleden, tegengekomen en onderweg voorbij gefietst. Wij zorgen vandaag voor het avondeten en hij voor het desert.

 

Nicky & Inge

Bob

 

Op vrijdag de 13e en met volle maan pakken we ons boeltje in en maken een grote fout maar die misschien in het kader van verwachtingsmanagement uiteindelijk niet slecht uitpakt: we checken de weerberichten en die zien er niet goed uit. Volop tegenwind pal uit het zuiden en bloedheet, voor minstens drie tot vier dagen en zolang gaan we er wel over doen voordat we het volgende dorp tegenkomen.

Als we vanaf het centrum van Carnarvon negen kilometer tegen de wind in hebben gebeukt, komen we bij een afslag een bordje tegen met de melding “centrum: 6 kilometer”. Mooi is dat. We zijn verleerd om te navigeren omdat er al zolang maar één weg is, en we hebben verzuimd te bekijken hoe we het beste het dorp uit kunnen fietsen. Maar goed, wat zijn drie kilometer op 126 kilometer, de dagafstand van vandaag? Nou tegen de wind in, heel veel!

 

Fietsend over de saaie highway vanaf Carnarvon naar het zuiden met de hete wind tegen ons, geplaagd door ontelbare vliegen en kletsnat van het zweet, realiseren wij ons dat wij al met al drie keer door reisgenoten op het verkeerde been zijn gezet. 

  1. Iemand heeft ons gezegd dat het een goed plan is om tegen de klok in te fietsen op eilandje Australië omdat je dan altijd de wind in de rug hebt. Absoluut niet waar! Over het algemeen hebben we tegenwind en sporadisch helpt de wind ons een handje.
  2. Iemand heeft ons in the Northern Territory voorgeschoteld dat er in Western Australia geen vliegen zijn. Niet waar, we zijn nog nooit zoveel geplaagd door deze ondieren! Wat we dan nog niet weten is dat de echte vliegen-terreur pas de komende dagen in alle hevigheid toe zal slaan. 
  3. Meerdere mensen hebben gezegd dat als we naar het zuiden reizen het steeds koeler wordt. Niets van waar, het is na Carnarvon alleen maar heter aan het worden! We meten onze “eigen” hoogste temperaturen van meer dan 40 graden sinds we door dit land fietsen. Tel daar bij op dat de zon nogal fel is en dat het zwarte asfalt warmte afgeeft en dan kun je je voorstellen dat het heel heet is. De tegenwind geeft geen enkele verkoeling maar brengt meer warmte, vochtigheid en verschrikkelijk veel vliegen.

 

Vroeg in de morgen trekt Roelie de remmen aan en roept tegen de wind in Harry om hetzelfde te doen. Op de weg loopt een zogenaamde Thorny devil, een breedgeschouderde hagedis met  stoere stekels. Om te voorkomen dat dit duiveltje op de lange lijst van roadkills kan worden toegevoegd, begeleiden we hem naar de berm. Snel gaat het niet: het beestje staat er om bekend dat hij bij bedreiging niet vlucht, maar verstijft. Zo ook deze lelijke hummel. Daarna komt er toch wat beweging in, maar zoekt hij waggelend de bescherming van de fietsband op. Hij gaat er bijna onder zitten. Okay, hij is dus niet alleen traag maar ook nog eens een beetje dom. Met behulp van een vezeldoekje krijgen we hem toch zover dat hij de berm bereikt. Voelt toch goed, zo’n leventje redden. De laatste keer dat we een beest naar de overkant van de weg hebben begeleid, een slang in Indonesië, werden we door een mede-weggebruiker boos toegeschreeuwd.

 

Een lief klein thorny deviltje

 

Vanwege de invasie van vliegen bij elke stilstand, wordt er maar alleen kort gestopt om snel water bij te vullen. Pas bij Edaggee Rest Area nemen we tijd voor een beetje pauze. De vliegennetten worden over ons hoofd getrokken om in ieder geval dat lichaamsdeel te vrijwaren van het gesar. Meteen valt ons oog op een grote tent, om de eenvoudige reden dat je nooit een tent op een rest area ziet. De vrouw en tevens eigenaresse van de tent komt al snel naar ons toe met een kan gekoeld water. "You must be very warm" en ze biedt ons ook nog ijskoffie aan. Ze vertelt dat ze vier jaar geleden hier heeft gekampeerd en dat haar langharige poes toen ergens van is geschrokken en ‘de poten heeft genomen’. Sindsdien komt ze hier vanuit Adelaide ieder jaar drie weken kamperen op zoek naar Ruby. Anderen hebben de poes gezien en als wij haar zien kunnen we dat doorgeven bij het volgende roadhouse waar haar contactgegevens bekend zijn. Ze heeft vallen gezet en brengt gevangen wilde katten naar de ranger. Maar nog steeds geen hereniging met Ruby.

 

Met het duiveltje en de poes hebben we de twee hoogtepunten van de 126 kilometer naar Wooramel roadhouse te pakken. Het is namelijk - naast die vliegen, die hitte en die tegenwind - een oersaaie etappe! Toch blijft het moraal op een prima niveau: opnieuw zijn we na afloop trots op onszelf dat we deze missie hebben volbracht.

Die goede vibe overvleugelt het ongemak en daardoor is ons plan voor de volgende dag opnieuw ene uit de ‘hors categorie’: we stoppen niet bij het Overlander roadhouse op iets van 75 kilometer, maar zetten ons doel op het Billabong roadhouse op 125 kilometer. Over deze etappe zullen we nog korter zijn: saai, (veel te) heet, vliegen-vliegen-en-nog-eens-vliegen en natuurlijk die verrekte harde ‘haarföhn’ die tegen ons in blijft blazen.

 

Vliegeninvasie en dus vliegennetjes

Rust en vul @ 200 mijl watertanks

200 Mile Watertanks

Vroeger waren er voor reizigers 8 enorme watertanks op regelmatige afstanden tussen Carnarvon en Geraldton. Tegenwoordig zijn de meeste reizigers uitgerust met >100 liter tanks in hun voertuigen, dus de behoefte aan dergelijke watertanks langs een route in de outback is verdwenen. Natuurlijk geldt dat niet voor fietsers met een maximale watervoorraad van 12 liter, wat voldoende is voor hooguit één dag.  Alle watertanks zijn echter inmiddels verwijderd, behalve deze twee op "200 mijl" van Carnarvon, als een herinnering aan de oude dagen. Een goede plek (je kunt er zitten!) om te drinken, rusten, een broodje met pindakaas en te genieten van de schaduw. En de tanks, die werden gaandeweg een kunstwerk.

 

Tijdens de derde etappe, 121 kilometer naar Galeena rest area, breekt uiteindelijk toch het moraal bij Harry en loopt de tank leeg en de benen vol bij Roelie. Maar eerst hebben we na een kilometer of 30 nog een leuke ontmoeting met… Donna en Nic! Donna en Nic zijn onze weldoeners, de Warmshowers hosts en eigenaren van het Coral coast tourist park in Carnarvon, waar we gratis drie nachten mochten verblijven. Ze waren op vakantie en we vonden het jammer dat we hen niet konden ontmoeten, maar nu komen we ze op de weg tegen. Donna in een 4WD+trailer met baby en een alleen Spaans begrijpende hond en Nic op een grote ‘all terrain’ motor waarop hij al een keer van Singapore naar Londen is gereden. We krijgen snoep en koud blikje fris aangeboden en kletsen vooral met Nic, omdat Donna bezig is om de baby weer in slaap te wiegen. Het is een korte ontmoeting, maar het is ons direct duidelijk dat we met een interessant stel te maken hebben, vol met reiservaringen (te paard door Mongolië, op de fiets door Zuid Amerika en rond Australië) en met een nieuw plan: de wereld rond zeilen.

 

Warmshowershosts Donna  

 

En dat moraal van Harry dan? O ja, Harry vindt het vooruitzicht van opnieuw acht tot tien uur tegen de wind ploeteren, met als doel een ‘free camp’ plek oftewel parkeerterrein zonder enige voorzieningen (behalve pit-toilet) te bereiken, proberen je tentharingen in de verharding te timmeren zonder ze kapot te slaan en je vervolgens te ‘wassen’ met een paar wetties, niet leuk. Hij spreekt zelfs de opzienbarende woorden: “hier heb ik geen zin meer in”, waarbij hij er gelukkig heel snel aan toevoegt dat hij met “hier”, vandaag bedoelt. Vanwege de krachtige tegenwind lossen we elkaar, al sinds Carnarvon, om de vijf kilometer af. Deze etappe gaan we uiteindelijk over tot elke twee kilometer en vooral Roelie heeft het heel zwaar. Dat “helpt” Harry weer een beetje om van zijn gevoel af te komen, want zoals altijd: als de een het moeilijk heeft (mentaal of fysiek), dan helpt de ander.

 

Gelukkig ontvouwt de etappe zich echter in de laatste kilometers tot iets moois. We hebben dan al subtiele kleine veranderingen in het landschap gezien. Met name de wilde bloemen worden talrijker en kleurrijker. Na - voor het gevoel - een beklimming van 100 kilometer zijn we op een hoogte van 300 meter boven zeeniveau beland en zien we op links door de bush een gigantisch groen vlak. Het lijkt op een ‘mindfuck’ en onze hersenen willen iets anders registreren dan wat wij zien. “Het is een hek met groen folie”, roept Roelie nog, maar na een tijdje realiseren wij ons dat het een veld is met graan of zoiets.

 

Graanvelden 

 

Opeens mogen we ook beginnen aan een echte afdaling; nog steeds met die fikse tegenwind dus we gaan niet snel en hebben tijd genoeg om ons heen en vooral vooruit te kijken. We zien een landschap dat totaal, maar dan ook echt totaal anders is dan het landschap van de outback: glooiende heuvels met graanvelden en koolzaad, van elkaar gescheiden door houtwallen. De bomen, struiken, akkers en gras zijn fris groen en niet verdord. Het lijkt of we de “shire of the Hobbits” binnenfietsen. Prachtig! Niet ver na deze afdaling slaan we de afslag naar de Galeena River rest area in. Er is water in de rivier met bijbehorende flora en fauna. De rest area zelf blijkt populair te zijn en de mooiste plekken zijn al bezet door campers, caravans en andere ‘recreational vehicles’. Terwijl we het terrein opfietsen, worden we aangesproken door Larry, natuurlijk met “we passed you today and a few times earlier this month”. Larry zegt dat hij aan het water staat, maar dat we voor zijn caravan nog wel ons tentje kunnen opzetten. Het plekje blijkt magisch te zijn. Het enige gemis - er is geen picknick tafel - wordt door Larry opgelost en hij zet een tafeltje voor ons op en geeft ons twee krukjes. Op het tafeltje zet zijn vrouw een leuk glaasje met een theelichtje en Harry krijgt een uitschuifbare hark om iets aan ‘landscaping’ te doen voordat het grondzeil wordt uitgevouwen. En om ons helemaal gelukkig te maken, worden onze waterzakken weer gevuld met drinkwater! De krukjes voelen overigens niet echt comfortabel aan: onze beurse zitvlakken hebben behoefte om ontzien te worden. Larry ziet de pijnlijke grimas op ons gezicht en tovert nog een klapstoel tevoorschijn. En als Roelie het wat slijmerige water van de stilstaande rivier instapt om te kijken of ze zich daarin zou kunnen wassen, krijgt ze van Larry een emmer om langs de waterkant zich wat af te spoelen. Wat een geweldige vent.

 

Galeena River rest area

"Weigerend" zitvlak 

 

De volgende dag fietsen we verder door Hobbit land, of Teletubbietuin, of golfbanencomplex, of  Limburgs Heuvellandschap tot de macht 12. Genoeg superlatieven. Het groene landschap om ons heen golft en biedt telkens geweldige vergezichten. De akkers met voornamelijk koolzaad en graan en de weilanden lijken oneindig en toch doet het landschap niet grootschalig en monotoon aan. Genietend van al dat moois, komen we dichter bij Geraldton. Helaas neemt het verkeer en het aantal road trains toe. De weg biedt ons weinig ruimte om uit te wijken. De wind is gaandeweg de dag gedraaid naar het zuidwesten en komt dus van onze rechterkant. We weten inmiddels uit ervaring dat dit tot hachelijke situaties kan leiden wanneer een road train ons tegemoet komt denderen. Steevast is dan de klap van de luchtverplaatsing dat zo’n gevaarte teweeg brengt enorm voor ons fietsers: eerst komt de letterlijke klap die ons van het asfalt probeert te meppen (hetgeen soms lukt) en daarna de windverplaatsing in het kielzog van de road train die onze snelheid er helemaal uit haalt. Eigenlijk kunnen we niet anders concluderen dat het te gevaarlijk is op dergelijke wegen voor fietsers. Road trains en fietsers, op datzelfde stukje asfalt zonder fietspad of fatsoenlijke vluchtstrook, gaan niet samen. Maar goed, Australië, regel dat maar als wij weer zijn vertrokken.

 

Na het fysiek en mentaal zware stuk van Carnarvon naar Geraldton overwegen wij even een rustdag in te lassen, maar we hebben een beter idee: we slapen morgen eerst een beetje uit, gaan dan naar het Geraldton museum en fietsen dan een relatief korte etappe van 80 kilometer naar Port Denison onder het plaatsje Dongara. Ho, wacht eens effe, time-out… hebben jullie het over een museumbezoek? Ja klopt, we horen leuke verhalen over dit museum dat zich voor een groot deel richt op de voorwerpen van en het verhaal achter drie scheepswrakken van de Nederlandse VOC die hier voor de kust liggen. En ja, het museum ligt toch praktisch op de route. En ja, het museum is toch gratis. En ja, we doen toch een korte route. En ja, we kunnen de fietsen met alle bagage toch in het zicht van de receptie achterlaten. Dus toch!

 

Dus… zo komt het voor dat de twee wereldfietsers Harry&Roelie, die tot nog toe elk museum gewoon voorbij zijn gefietst, op dag 444 van hun avontuur voor het eerst een museum binnenstappen. Het museum onthult de verhalen van drie grote schepen van de VOC-vloot: Batavia, Zuytdorp & Zeewijk. De geschiedenis van vooral de Batavia komt over als een bloedstollend en psychologisch filmscenario: drama, tirannie en heroïsche daden.

 

VOC-vlaggeschip De Batavia

Op de eerste handelsreis van Nederland naar Indonesië loopt op 4 juni 1629 het schip aan de Australische kust op een rif. Opperkoopman en feitelijk de grote baas aan boord, Francois Pelsaert, evacueert de meeste passagiers en wat proviand naar een nabijgelegen eiland. Er blijven ook mensen achter, met name omdat het schip niet volledig ten onder was gegaan en de rijkdommen in het ruim beschermd moesten worden, maar vooral omdat de meesten niet konden zwemmen. Op het evacuatie-eiland was geen drinkwater voorradig en al snel komen mensen om van de dorst, voordat de eerste regen valt en tijdelijk verlichting biedt. Bezorgd over deze drinkwatersituatie gebruikt Pelsaert de begeleidende longboat (die overigens helemaal niet lang was) om met 42 man naar Jakarta te varen, wat hem uiteindelijk lukt. In Jakarta zijn ze helemaal niet blij met het verlies van het schip en de rijkdommen en hij wordt teruggestuurd om de waardevolle spullen op te halen.

 

In de tussentijd blijven ongeveer 200 mensen achter, waaronder koopman Jeronimus Cornelisz die niet kan zwemmen en er eerst voor kiest om met 70 anderen op het wrak te blijven. Na een paar dagen valt het schip volledig ten prooi aan de golven en verdrinken 40 mensen. Cornelisz bereikt echter het eiland wel en hij wordt begroet als hoogste in rang nu Pelsaert met een aantal officieren op weg was naar Jakarta. Cornelisz neemt de leiding en ontpopt zich razendsnel als een moordlustige dictator die die een waar horrorbestuur vestigt. Vele mensen (ook vrouwen en kinderen) worden onder zijn schrikbewind vermoord. Een kleine groep vlucht van de slachtingen naar een ander eiland onder het mom van zoeken naar water en slaagt erin daar te overleven, omdat daar inderdaad wel drinkwater voorradig blijkt te zijn. Cornelisz heeft meerdere pogingen gedaan om dit eiland met geweld of list te veroveren, maar slaagt daar uiteindelijk niet in.

 

Als Pelsaert na 4 maanden terugkeert naar de eilanden en het wrak van de Batavia, redt hij lading, redt de overlevenden en na te horen wat er is gebeurd, arresteert Cornelisz. Cornelisz wordt veroordeeld tot het afhakken van beide handen voordat hij wordt opgehangen.

 

Van de 341 mensen aan boord overleven er uiteindelijk slechts 116.

 

 

Na het museumbezoek vervolgen we onze fietstocht naar Port Denison, maar niet voordat we een quarter pounder hebben gescoord bij de plaatselijke McD. Met deze calorie-rijke brandstof in het lijf en een lichte wind in de rug bereiken we zonder veel moeite Port Denison. Nog iets van 350 kilometer naar Perth en we hebben nog vier fietsdagen tot zaterdagmiddag. We bekijken de overnachtingsmogelijkheden en pakken toch ook maar weer even het weerbericht er bij. De weersvoorspelling laat voor de dag van morgen een noord-noordwestenwind (jippie wind mee) en voor de dagen er op weer een tegenwind pal uit het zuiden zien (bah bah). We besluiten om morgen maximaal de wind te benutten en zo ver mogelijk te komen, misschien wel tot Cervantes, 160 kilometer verderop. Overmorgen kunnen we dan een kortere etappe doen, iets van 90 kilometer tot aan Ledge Point.

 

 

Vanaf Port Denison fietsen we eerst over een stil weggetje door een prachtig duingebied. Het is nog vroeg en we spotten meerdere grote levende en weg hoppende kangoeroes. Daarna moeten we nog 20 kilometer over de highway, die gelukkig op dit vroege uur niet zo druk is. We merken dat de wind inderdaad van schuin-achter komt en helpt om een snelheid van ruim boven de 20 km/h te ontwikkelen. Daarna draaien we de mooie Indian Ocean Drive op, die de kust volgt. De weg is veel rustiger dan de highway en er zijn geen road trains meer. Bovenal genieten we van de vele prachtige uitzichten over de Indische Oceaan en mooie duinpartijen. De wind blijft ons vandaag goed gezind en we besluiten door te zetten tot Cervantes. Na 100 km worden we echter overvallen door regenbuien. De temperatuur gaat drastisch onderuit. We gaan op zoek naar onze regenjassen die ergens diep in een van de fietstassen moeten zitten. We hebben ze sinds India niet meer gebruikt. Het zicht wordt slechter en erg donker en ook daarom is het verstandig om de fluoriderende jassen aan te trekken. Als we na 130 km het dorpje Jurien Bay bereiken is het alweer droog geworden en probeert de zon er iets van te maken. Het blijft echter aan de koude kant en de jassen blijven aan. Het dorp heeft een grote supermarkt en we besluiten er wat inkopen te doen voor de laatste dagen tot aan Perth. Als we de laatste 30 kilometer naar Cervantes overbruggen, trekt de wind nog harder aan en zijn er ook windstoten, allemaal lekker in de rug! De wolken die vanaf de Indische Oceaan door de wind naar ons worden opgejaagd worden weer dreigender en de temperatuur zakt nog meer. Alleen de laatste twee kilometer moeten we westwaarts tegen de wind in en krijgen een voorproefje van wat ons de volgende dag te wachten zal staan. 

 

 

Het Cervantes Holiday Park is best duur en biedt geen mooie plekken voor tentjes. Bovendien liggen deze plekken onbeschut en dus vol in de wind die hard vanaf zee op het park beukt. Als we aankomen zien we vier Chinese meisjes worstelen met hun tent die ze in de harde wind proberen op te zetten. Ondanks die wind lopen wij geen vertraging op bij het opzetten, oefening baart kunst, zullen we maar zeggen. Wel worden alle haringen inclusief de reserve haringen gebruikt om de tent aan de grond te houden. We kunnen maar één ingang gebruiken, de andere ligt vol in de wind en kan niet geopend worden. Harry heeft door de kou voor het eerst sinds lange tijd (was het de Himalaya in Nepal?) weer eens last van ‘dooie vingers’, een bijwerking van een van zijn medicijnen. Een warme douche is dan geweldig welkom en als we van deze weldaad terugkomen, zien we dat de Chinese meisjes bijna klaar zijn met hun worsteling. We gaan snel de camp kitchen in voor beschutting en warmte. De keuken is hier gigantisch groot, modern en van alle gemakken voorzien. Het lijkt erop dat niemand zin heeft om bij de camper of caravan te koken, dus het wordt aardig druk. 

 

Er is dus voor morgen een dag voorspeld met voor ons slecht weer: harde wind (ca 40km/h) pal tegen met harde windstoten (>65 km/h). Als we wakker worden weten dat de voorspelling klopt qua wind, maar dat daarboven op de regenbuien van gistermiddag en vannacht aanhouden. We hebben dan al besloten om niet tegen de wind te gaan strijden in de hoop om ons volgende overnachtingsplek, 90 kilometer verderop, te halen en draaien ons nog een keertje om terwijl de regen horizontaal tegen de tent vliegt. We blijven nog een dag extra op dit dure onbeschutte caravanpark en zullen onder andere deze blog en onze video “Darwin to Perth” bijwerken. Hopelijk wordt het later op de dag iets beter, want onze fietskleding ligt nog nat en naar zweet stinkend in een fietstas. Als we opstaan, trekken we onze donsjassen aan en lopen naar de camp kitchen. Na een paar minuten springt Roelie verschrikt op; er loopt een spinnetje over haar heup met een rode vlek op de onderrug en is daarna even uit zicht. De spin valt na wat zenuwachtig gezwaai en gespring op de grond en we bekijken hem: yep, het lijkt als twee druppels water op een uiterst giftige Redback. Voor de zekerheid, toch nog even controleren en internet en Aussies bevestigen het: het ís een Redback! Harry wil het beestje niet doden en laat hem op ons plastic snij”plankje” lopen en zet hem buiten. Blijft toch raar gevoel: een (zonder tegengif en snelle behandeling) dodelijk beestje weer de vrijheid geven. Maar goed: leef en laat leven (behalve vliegen, die moeten allemaal dood!).

 

Slechte onscherpe foto van de giftige redback spider

 

De beslissing om een dag extra in Cervantes te blijven, blijkt een juiste. Het is de hele dag onstuimig: windstoten en regenvlagen en verder harde gure wind pal uit het zuiden. We zitten de hele dag in de luxe kampkeuken van het caravanpark. Ook ’s nachts blijft het regenen, al lijkt de wind af te nemen. Het is in ieder geval niet meer zo alsof er een paar vandalen aan onze scheerlijnen staan te trekken. We zijn dan ook best verrast dat de tent zowat droog is als we opstaan. De harde wind heeft ook zo zijn voordelen. Het is verder bar koud als we de tent afbreken terwijl we met de twee Nederlands heren kletsen, die gisteravond hun 4WD met rooftop tent naast ons hebben geparkeerd. Zij doen dezelfde route van Darwin naar Perth en beginnen vandaag aan hun laatste etappe.

 

Het is ‘maar’ 90 kilometer naar onze bestemming van deze dag, Ledge Point, en we voelen geen haast om te vertrekken. Het is daarnaast dus koud en dat feit laat ons ook niet echt opschieten. Voor het eerst sinds lange tijd, waarschijnlijk Georgië, doen wij onze beenstukken aan en worden de handschoenen opgediept. Compleet aangekleed met zelfs onze donsjassen en handschoenen aan starten we zo aan deze fietsdag. Helaas is de wind nog steeds hard en helaas nog steeds pal tegen vanuit het zuiden. De voor onze Australische begrippen, korte etappe, wordt zo toch weer een zware. Maar het blijft droog en na een kilometer of 20 hebben we ons genoeg in het zweet gewerkt om de donsjassen weer in een fietstas op te kunnen bergen, maar de handschoenen houden we aan.

 

Om vakantieoord Ledge Point te bereiken moeten we een stukje door de duinen fietsen. We krijgen een eenzaam plekje op een verder leeg tentenveld aangewezen. ’s Avonds en volgende ochtend maken we de meeste spullen uit onze proviand-tas op, want de volgende dag brengt ons hopelijk tot aan downtown Perth, waar we vandaan de trein naar Mandurah, naar Harry’s tante Ria, pakken. Het allerlaatste kampeernachtje tussen Darwin en Perth wordt de koudste. Later in de nacht hebben we allebei niet meer voldoende aan onze slaapzakken als dekbed, maar moeten die dichtgeritst worden. Ook dat is heel lang geleden, voor het laatst op bijna 2000 meter hoogte in het Turkse binnenland.

 

 

We staan extra vroeg op, want het centrum van Perth ligt een dikke 120 kilometer verderop. De miljoenenstad Perth is een lang uitgestrekte stad met vele voorsteden. Vooral van noord naar zuid strekt de stad zich over vele tientallen kilometer uit. De wind is nog steeds stevig tegen en we houden het idee in ons achterhoofd om al in het noorden, in Joondalup, de trein naar Mandurah te nemen. Dat zou zeker 25 kilometer schelen. De weg is ook nog eens best saai terwijl we verwacht hadden dat we zo dicht bij Perth wel regelmatig een koffietentje, tankstation of iets dergelijks tegen zouden komen, waar we eve rustig van iets lekkers zouden kunnen genieten en op krachten kunnen komen. De weg is weliswaar erg druk, maar naast de weg blijft het gewoon leeg. Het gebeuk tegen de wind in, in combinatie met de drukte op de weg en de afwezigheid van een pauze-plekje maakt de optie Joondalup steeds meer aannemelijk. Maar als we met nog 37 kilometer te fietsen een keurig fietspad opdraaien, dat belooft om ons helemaal tot in hartje Perth te brengen, weten we het zeker: tuurlijk fietsen we helemaal door tot het (echte) einde, tot aan het centrum!

 

 

We fietsen uiteindelijk het oude, historische deel -omgeven met enkele wolkenkrabbers- binnen en maken op deze zaterdagmiddag meteen kennis met het gezellige horeca-deel van de stad. We vinden dat we de prestatie #darwintoperth, de route van bijna 4.500 kilometer op een waardige manier moeten afsluiten en we vieren dat dus met biertje bij een Ierse pub. Direct daarna pakken we de luxe en supersnelle trein naar Mandurah, dat zo’n 70 kilometer verder naar het zuiden ligt. Drie kwartier later zoeft de trein het station van Mandurah binnen. Gelukkig woont tante Ria niet ver van het station af: als we haar oprit op fietsen begint het net te schemeren. Wat volgt zijn drie heerlijke dagen met familie die zo ver weg wonen en nu heel dichtbij zijn.

 


«   »