Northern Territory

Gepubliceerd op 14 augustus 2019 09:00

 

Ken je de TV-serie ‘Border Security’? Het is één van de favoriete programma’s van Harry’s moeder. Nou, nu zijn we zelf deel van het schouwspel: we lopen een zaal binnen met een aantal ‘uitpak’- tafels en beambten in uniform en met plastic handschoentjes die in allerlei tassen gluren. We kijken nog stiekem om ons heen, maar de TV-camera’s ontbreken. Al snel worden we geholpen door een op zich relaxte gast die echter gealarmeerd raakt hoe we naar Australië zijn gekomen: fietsend. De doos van de fietsen wordt opengesneden en de wielen eruit gehaald. Hij begint meteen wat resterend vuil uit de groeven van de banden te peuteren, oeps... Maar de fietsen zijn in Bali onder de douche geweest en komen daardoor toch nog goed door de test. Daarna vraagt de beambte of we een tent hebben. Ja die hebben wij, al is die in Zuid-Oost Azië maar weinig gebruikt. Hij wil het grondzeil van de tent nader onderzoeken in het laboratorium op grond en zaden. De haringen gaan ook mee en krijgen samen met het grondzeil een douchebeurt. Aanvankelijk zijn we blij met deze service maar dan wijst de beambte ons op vraag 9 van het formulier ‘Soil, or articles with soil attached, ie. sporting equipment, shoes , etc. ’ en dat we daar een kruisje bij ‘yes’ hadden moeten zetten vanwege het grondzeil. Dat kan een dikke boete zijn maar we komen er gelukkig met een waarschuwing vanaf. 

 

We schroeven in de aankomst- annex vertrekhal de fietsen in elkaar en fietsen daarna in de koele avond de 10 km naar Warmshowers host Fleur. Ondanks het late uur - het is bijna middernacht - is Fleur wakker en komt kennismaken. Er staat een grote tent in de tuin en daar kunnen we in slapen en er is een Bali stijl badkamer voor ons met een geweldige regendouche. De volgende morgen ontmoeten we zoon Arkady (9) en moeder Sheila (85). Die laatste zit met de voet in het gips na een uitglijder in Japan waar ze met z’n drieën op wandelvakantie zijn geweest. Arkady en Fleur gaan naar school respectievelijk werk en wij kletsen met Sheila totdat wij het op de heupen krijgen: veel te doen vandaag om morgen te kunnen vertrekken: beide nieuwe sim kaartjes, Roelie heeft een slag in het voorwiel, Harry moet een nieuwe achterband, een nieuw kussen, proviand inslaan, medicijnen, kaarten en iets voor stroomvoorziening in de Australische outback. We kopen een nieuwe band, remschijf, helm, bel, zonnepaneeltje, eten en een vliegennet. Wat we niet kopen zijn Harry’s medicijnen. De Engelse brief van onze Nederlandse huisarts volstaat niet en alleen een recept van een Australische arts wordt geaccepteerd. Daarvoor is een afspraak met een huisarts noodzakelijk en een consult. Een prijzig en tijdrovend gebeuren, want voor een consult kan je niet ‘even naar binnen lopen’. We blijven daardoor een extra nacht bij Fleur. Om haar voor de gastvrijheid te bedanken werken we overdag in de tuin, helpen met het bouwen van een hip kippenhuis en koken we een Indiaas diner. Tussendoor gaan we naar de dokter en de apotheek. We genieten van Fleur, Sheila en Arkady en zouden gemakkelijk langer willen en mogen blijven, maar ons wacht een mooi avontuur. Fleur heeft zoveel tips gegeven over de route naar Perth en we hebben er zoveel zin in, dat het ons lukt afscheid te nemen.  

 

 

Australië is best even wennen na 8 maanden Azië. Allereerst de helmplicht, die tot hoge boetes kan leiden. Harry heeft er een enorme hekel aan, maar neemt zichzelf voor dat hij braaf de helm door heel Australië zal op houden. En dan die brede wegen, zonder scooters, allemaal blanke mensen (met uitzondering van een enkele aboriginal), voetgangers op trottoirs, veel regels met hoge boetes als stok achter de deur. Geen hurktoiletten meer en wc papier mag gewoon in de wc worden gegooid. En het is zoveel rustiger; de chaos van mensen, bouwsels, verkeer, kleuren, geuren en heel veel herrie ligt nu ineens ver achter ons.

 

Dag Darwin, hallo outback

 

De eerste goede tip van Fleur brengt ons naar de veerboot uit Darwin. Daarna worden we meteen overdonderd door de totale leegheid van het landschap. Het staat weliswaar vol met bomen en termietenheuvels maar verder is er niks. Alleen de weg en wij en een paar vogels en oh ja tegenwind, flinke tegenwind en die lijkt ons weg te willen blazen van de beoogde camping bij Tumbling Waters. Best uitgeput weten we de camping toch te halen. Het is een lang weekend voor de inwoners van Northern Territory. De maandag is een public holiday (met de toepasselijke naam ‘picknick day’) en daardoor is het drukker op de camping dan anders. We drukken ons tentje tussen de anderen op het tentenveld. De camping is prachtig: het heeft een kampkeuken, restaurant, zwembad, openlucht theater en een schoon toiletgebouw. We slaan het voederen van de zoetwater krokodillen over evenals de vertoning van Shrek en genieten van #campinglife.

 

 

De volgende dag fietsen we verder de outback in naar Litchfield National Park. Na 30 km prima weg komen we op onze eerste gravelweg terecht met veel stof. Onderweg zien we onze eerste emoes, wallabies en heel veel papegaaien: witte (zelfs de snavels zijn wit), zwarte (met aan de onderkant op de staart oranje ronde stippen), licht grijze met een roze borst en fel groene parkieten.

 

Na de gravelweg komen we weer op het asfalt terecht en draaien dan de weg in naar Wangi Falls campground. Op het bordje staat ‘full’ maar voor een tentje is er nog wel plek. Eerst maar naar het café voor iets kouds: ieder een ijsje en een dikke vanille milkshake. Daar ontmoeten we Bruce & Cathy uit Sydney die ons vertellen dat we heerlijk kunnen zwemmen bij de waterval en dat er na een kleine klauterpartij er een soort natuurlijke jacuzzi is te vinden. Als we even later de tent hebben staan en de badkleding aanhebben blijkt de ‘plunge pool’ dicht te zijn omdat er eerder die middag iemand is gebeten door een ‘freshy’, een zoetwaterkrokodil. Normaal doen alleen ‘salties’ bijten en dan kun je het meestal niet meer navertellen. Gelukkig zijn er heerlijke douches en rond zonsondergang lopen we nogmaals naar de waterval waar we inmiddels de enige mensen zijn. We zien wallabies rondhupsen met kleintjes en ’flying foxes’ (vleerhonden) in de bomen hangen. De stoute freshy is niet te vinden. Op de weg terug naar de tent vliegen de vleerhonden uit. Het zijn er ongelooflijk veel en ze maken geen enkel geluid, zo prachtig!

 

Wangi Falls

 

We lopen nog even door naar Bruce en Cathy omdat ze aangeboden hebben om gebruik te maken van hun voorraad drinkwater. Ze hebben hun huis in Sydney voor 2 jaar verhuurd en reizen door Australië. Bruce is een groot fietsfan. Ze hebben mooie reisverhalen van hun reizen over de wereld die we beluisteren onder het genot van een kop thee. Onderwijl verstopt een ‘huntsman’, een grote groene spin zich in een schoen van Bruce. Voor ons een reminder dat er lelijke beesten rondlopen in de Australische outback!

 

De volgende dag zien we vooral mooie Australische dieren: meer wallabies, een emoe die aanstalten maakt mee te lopen maar zich bedenkt en een wilde kat. Onderweg maken we een tussenstop bij het aanbevolen Florence Falls. Roelie is bijna 20 jaar terug tijdens een jaar backpacken ook in Litchfield geweest en heeft mooie herinneringen aan de wandelingetjes en zwempartijen. Op de fiets blijkt het toch een hele andere ervaring. De drang om achter het stuur weg te komen en de benen te strekken ontbreekt. Harry vindt het omkleden irritant en laat op voorhand de zwembroek al achter bij de fiets. Naast Wangi Falls is Florence Falls de meest populaire bestemming en we zijn daarom zeker niet de enige bezoekers. Zowel het wandelpad als de plunge pool zijn druk bevolkt en ook Roelie keert zonder duik te nemen terug. Daarna hebben we het nog best zwaar. Veel heuvels en veel tegenwind. Net buiten Litchfield ligt Batchelor, het eerste dorp sinds Darwin. Een leuke plek in die zin dat er een supermarkt en een taverne is. 

 

Florence Falls

 

Wat is het fijn om weer met iedereen te kunnen kletsen! Dat hebben we echt gemist. Er schijnen ook veel Nederlanders rond te reizen, volgens de Nederlandse backpackers die we op de camping in Batchelor spreken. Wij komen ze niet zoveel tegen, wel best veel Fransen die op hun beurt vaak erbarmelijk Engels spreken. Maar met de bevolking zelf dus geen taalproblemen en het komt geregeld voor dat we met Australiërs praten die een link met Nederland blijken te hebben, meestal omdat zijzelf of hun ouders een tijd geleden naar Australië zijn geëmigreerd, maar soms ook werk-gerelateerd. 

 

 

Na drie fietsdagen zitten we door de omweg door Litchfield nog steeds minder dan 100 km van Darwin. Pfff, zo komen we nooit binnen drie maanden bij onze familie in Perth. Voor ons is dit een moment van bezinning, voor een nieuwe mindset. Duidelijk is dat we door Australië moeten fietsen om Perth te halen en niet om alle toeristische, landschappelijke highlights te bezoeken. Die highlights in in het westen van Australië lijken op de kaart weliswaar min of meer ‘op de route’ te liggen, maar in werkelijkheid is het een omweg van soms een paar honderd kilometer. Met de auto leuk te doen, maar voor ons betekent dat een paar dagen fietsen en ‘gedoe’ met water. Bovendien genieten we al enorm op onze fiets, met ons tweetjes alleen in dit onmetelijk land. Het is nu al een unieke reiservaring, die we nog niet eerder hebben beleefd. Ondanks dit nieuwe inzicht, komen we de volgende dag maar 34 kilometer dichter bij Perth. In Adelaide River stoppen we in eerste instantie eerst voor een lunch, maar uiteindelijk blijven we in dit stadje dat alle voorzieningen heeft in plaats van het oorspronkelijke doel; een parkeerterrein ‘in the middle of nowhere’.

 

De volgende dag rijst de vraag: fietsen we naar een roadhouse op 80 km of naar het volgende dorp op 115 km? Die vraag blijft open staan tot we bij het roadhouse arriveren. Het roadhouse is niet zo super leuk. Nou is niet leuk. We hebben eigenlijk alleen last van zadelpijn, dus let’s go verder naar Pine Creek. Onderweg zien we veel aangereden dieren: wallabies, een koe, een roofvogel (zelf aangereden terwijl van een aangereden beest zat te snoepen), wilde zwijnen, kangoeroes, slang van het formaat ‘nog-niet-eerder-gezien’ en een ezel(?). Na nog eens 35 km arriveren we in het gehucht Pine Creek. Een oase van slaperigheid en rust met eigenlijk wel een leuk caravanpark met een supermarkt en een wild west bar-achtig ding. 

 

Er is dus verder helemaal niets aan de Stuart Highway. Niets nada nul. Geen winkels, geen huizen, geen ijsverkopers, geen fietscafé’s: niets. Heel af en toe staat er een bord. Aan hectometer paaltjes doen ze niet. Er staan (in principe) om de 10 km kleine bordjes met de afstand naar het volgende dorp. Op de weg zien we de beroemde roadtrains voorbij denderen evenals veel vakantiegangers. Elke keer als we door zo’n gevaarte gepasseerd worden en ons stuur vastklampen om niet door de luchtdruk de berm in geblazen te worden roepen we ‘All on board! The roadtrain!!!’ Het is dus heel anders om te fietsen door dit land dan de eerdere ervaring van Roelie met de auto. De behoefte om van de route af te wijken en wat te bezichtigen, te wandelen of te zwemmen is er niet. Het idee om de volgende dag naar Edith Falls te fietsen en daar in een plunge pool te springen, laten we daarom schieten en we fietsen in één etappe naar Katherine. Dat betekent onze laatste dag op de Stuart Highway.

 

Pauze momentje op de Stuart Highway

 

Katherine is een typisch Australisch stadje: heel ruim opgezet, brede straten, grote kruispunten, alles rechttoe-rechtaan en opgedeeld in een blokpatroon. Katherine heeft nog geen 5.000 inwoners maar is volgens ‘Outback-normen’ een grote stad en heeft een aardig voorzieningenniveau mede vanwege het feit dat in de wijde omtrek er gewoon niets is. Wij gaan bijvoorbeeld vanaf hier naar het zuidwesten over de Victoria Highway en het eerstvolgende gehucht Timber Creek ligt op 285 kilometer, oftewel op drie dagen fietsen.

 

In Katherine doen we bij de grote supermarkt Woolworth inkopen voor drie tot vier dagen. We zien veel aboriginals met klaarblijkelijk veel alcoholproblemen. Bij bottle shops (slijterij) staat politie en je krijgt alleen een drankje mee als je identificatie is gescand en je niet voorkomt in het register van misbruikers. Veel mensen waarschuwen ons voor stelende aboriginals. Wij voelen ons wat ongemakkelijk bij deze steeds terugkerende vinger naar een specifieke bevolkingsgroep. Maar het is ook voor ons duidelijk dat er veel problemen zijn met en rond deze oorspronkelijke bewoners. Op de camping in Katherine hangen waarschuwingen: “Lock up your valuables: Things will be stolen!”. Dat is wat lastig op de fiets maar goed een gewaarschuwd mens telt voor twee. 

 

Terug op de camping willen we gebruik maken van de kampkeuken, blijkbaar een basisfaciliteit in Australië, waar wij heel blij mee zijn. De kampkeukens zijn echt heel goed en vaak uitgerust met een koelkast, barbecue, broodrooster, magnetron en waterkoker. Maar het koken stellen we nog even uit want Max & Ellen staan in de keuken geposteerd en zingen hits uit de jaren 50 en 60. Nog voor het donker wordt gelukkig de microfoon weer opgeborgen en slaan wij onze slag en koken direct ook extra eten voor de volgende dag: worsten, roerbak aardappelen en -groenten. 

 

 

Ons vertrek uit Katherine loopt vertraging op als we tijdens de laatste voorbereidingen door de buren worden uitgenodigd voor koffie. Ach nou ja, waarom ook niet. Bij de koffie wordt ons dikke Griekse yoghurt met vers fruit aangeboden. Ondanks dat we het ontbijt al achter de kiezen hebben, kunnen we dit niet weerstaan. Harry oppert om de tent weer uit te pakken en een dagje extra in Katherine te blijven. Het is inmiddels als na tienen en er staan ons dik 100 kilometers te wachten naar de beoogde kampeerplek. De tent blijft ingepakt en de wielen worden naar het westen gedraaid. De wind doet de rest. De sterke zuidoosten wind die ons tot aan Katherine heeft tegengewerkt blaast ons de wijde wereld in.

 

Aan het eind van de middag rijden we het parkeerterrein op waar al vele caravans en kampers staan. Het is hier gratis kamperen en klaarblijkelijk zijn niet alleen Nederlanders gecharmeerd van gratis, maar ook de Aussies. Er is water aanwezig maar het is wellicht niet drinkbaar. Zo staat dat op de tank aangegeven. De buren denken dat we het wel kunnen drinken en andere buren denken van niet. Aangezien wij nogal wat water op een dag door de giechel gooien, lijkt het ons niet verstandig om de gok te nemen. We vragen wat rond en krijgen drinkwater van verschillende mensen. Eén van de reizigers waar gevoelsmatig direct al onze sympathie naar uitgaat is Gary. Hij rijdt rond in een omgebouwd busje en heeft het uiterlijk van een pas gepensioneerde surfer gekruist met een Woodstock-hippie. Hij komt even later naar ons toelopen en biedt ons een pizza-tje aan. Als we daar zin in hebben, zijn we van harte welkom. Ons voorgekookte eten gaat weer terug in de ziplockzak en op naar Gary’s bus. Gary is inderdaad een heel sympathieke vent en wat volgt is een leuk gesprek over van alles en nog wat, waaronder Western Australia. Gary is daar als reiziger niet zo van gecharmeerd. Eigenlijk is hij nogal teleurgesteld teruggekeerd van zijn route door deze staat; hij vond het nogal saai en erg leeg. Aangezien zijn route voor een groot deel overeenkomt met onze route naar Perth, begint bij ons een beetje de twijfel toe te slaan en dat zet ons toch even aan het denken. Eenmaal terug in de tent bespreken we opnieuw of het wel zo slim is om de westkust te befietsen. De oostkust is volgens Gary een stuk interessanter en makkelijker in die zin dat de afstanden tussen voorzieningen aanzienlijk kleiner is. We wegen de voors en tegens af en besluiten dat we bij het plan blijven. Grappig om te realiseren dat we hiervoor in Indonesië dagelijks de plannen omgooiden en dat we nu in Australië dagelijks besluiten het oorspronkelijke plan te handhaven. We genieten van de weidsheid en de leegte van de outback en als we het zo globaal bekijken op Wiki Camps kunnen we met regelmaat kampeer- en parkeerplekken, roadhouses, winkels en water vinden. Het enige stuk dat lastiger zal zijn ligt nog ver voor ons en komt na Broome aan de westkust. Als iemand ons daar een lift aanbiedt moeten we die misschien maar aannemen. 

 

Gary

 

De volgende ochtend is alle twijfel weggeslapen en verwerpen we zelfs het idee van een lift na Broome. We hebben plezier in dit land en de uitdaging die daarmee gepaard gaat. De wind blaast opnieuw de juiste kant op en subtiele veranderingen in het landschap schieten aan ons voorbij: de vegetatie, de kleur van de aarde en daarmee de termietenheuvels, de wisseling in rotsformaties. Het mooiste deel van de route is het National Park waar het Victoria River Roadhouse in ligt en waar we kamperen. Hier ervaren we voor het eerst sinds lang klein fietsleed: een lekke band. Een doorboring van de buitenband is echter niet te vinden. Waarschijnlijk heeft een zandkorreltje aan de binnenkant de binnenband gescrubd totdat er een gaatje is ontstaan. 

 

 

We nemen een heerlijke douche. Niet alleen koude drankjes worden minstens tien keer lekkerder na een dag fietsen maar ook een douche wordt een ware wellness ervaring. Terwijl de kleren in de week liggen, zien we dat de handdoek door een sprinkler van de waslijn wordt geschoten. Maar even wachten tot de sprinkler stopt voordat we de rest van de was ophangen. Het is hier zo kurkdroog dat de was ook ’s nachts droogt, dus dat is geen enkel probleem. Wederom raken we met verschillende mensen aan de praat. Anneke spreekt ons in het Nederlands aan omdat die fietsers vast uit Nederland komen. Zij en haar man wonen al 50 jaar in Australië. Anneke spreekt nog vloeiend Nederlands, maar haar man geeft inmiddels de voorkeur aan Engels. Twee bevriende stellen uit Melbourne reizen samen en raden ons aan de geasfalteerde weg naar Broome te nemen en niet de Gibson River Road. Een advies dat we hierna nog vaker zullen horen. Zelfs met een 4WD zijn zij na 50 kilometer omgekeerd. Een jongedame reist alleen rond en vertelt dat ze haar fiets net heeft verkocht maar graag weer een nieuwe koopt. Een Nederlands/Israelisch stel met een dikke telelens, verheugt ons met het nieuws dat er in Western Australia geen irritante vliegen zijn zoals in Northern Territory. ’s Morgens krijgen we opnieuw een ontbijt en koffie aangeboden. Dit keer slaan we het beleefd af, we hebben al ontbeten en staan klaar om naar een heuse stad in deze outback te fietsen: Timber Creek.

 

Stad? Timber Creek is nog niet eens een gehucht. Het bestaat uit niet meer dan twee caravan parcs, een ‘hotel’, een supermarkt, twee benzinepompen en een politiebureau. Er zullen zeker niet meer dan 50 mensen wonen. Toch wordt dit gehucht al 300 km op verkeersborden aangegeven gewoonweg vanwege het feit dat er niets anders is en je hier als reiziger de basisvoorzieningen kunt inslaan: voedsel, water en voor iedereen behalve wij natuurlijk, benzine.  

 

 

Nog 230 km naar Kununurra, dat we in twee etappes willen bereiken met ongeveer halverwege opnieuw een overnachting in een rest area (Saddle Creek) langs de Victoria highway. Dit plan valt of staat met een gunstige wind; in ieder geval geen wind tegen. Duimen maar want verder is er niets tussenin en zeker geen water. In Timber Creek hebben we daarom weer ‘voorgekookt’ volgens inmiddels beproefd concept: we leggen beslag op een grill plaat en (roer-)bakken daarop worsten, aardappelpartjes en groenten. Zo hoeven we de volgende dag geen water te gebruiken bij het koken en de boel alleen maar op te warmen. 

Het gaat ons de volgende dag letterlijk en figuurlijk flink voor de wind. De 120 kilometer naar Saddle Creek leggen we af met een gemiddelde van dik 22 km/u. We denderen over de vermoedelijk gevaarlijke kruisingen met Skull Creek, Snake Creek en Scorpion Creek. Geen skull, snake o scorpion te zien en evengoed geen druppel water. Alle kreken zijn kurkdroog. Het is het droge seizoen. Het is nog best vroeg als we de stoffige rest area opdraaien, maar er staan toch al zeker 15 caravans, campervans en andere recreatieve en innovatieve voertuigen. Wij maken in Australië gebruik van de app Wiki Camp en zijn nog geen Australiër tegengekomen die er geen gebruik van maakt. We begrijpen dat de doorsnee kampeerder bij voorkeur gebruik maakt van deze gratis overnachtingsplekken langs de highways: de caravans en campervans hebben ruim voldoende water en zijn vaak uitgerust met een koelkast (koud biertje voor hem en koud wijntje voor haar), toilet en douche. Het geheel wordt aan de gang gehouden door een aantal zonnecellen op het dak of naast de wagen. De waarschuwing op Wiki Camps dat de rest area weliswaar goed is maar dat je absoluut niet naar het toilet moet gaan, is dus voor de meesten niet relevant. En het is er wel altijd gezellig, weten we nu. De kampeerders gaan veelvuldig naar elkaar toe voor een praatje, delen ervaringen en bewonderen elkaars kamper. Op deze parkeerplaats wordt ook nog eens flink voedsel uitgedeeld want degenen die morgen verder naar het westen rijden, moeten bij de grens van Western Australia (bijna) alles inleveren. Zo kunnen wij deze avond en ook nog de volgende dag heerlijk snoepen van fruit, ijs, gebak, salades en kipschnitzels. We krijgen koffie en thee aangeboden hoewel we vermoeden dat er op ons voorhoofd geschreven moet staan dat we trek hebben in ijskoud drankje. Het water dat we meeslepen heeft namelijk de 40 graden grens wel gepasseerd en lijkt de dorst niet meer te lessen. We hopen weer op water van onze mede kampeerders en kloppen het eerst bij onze buren aan. We zijn verbaasd als we te horen krijgen dat er, in tegenstelling tot wat WikiCamp aangeeft, drinkbaar water aanwezig is op dit terrein. Er is een tweede, nieuwere, stalen tank op het terrein geplaatst en die zou (wel) drinkbaar water bevatten. We tappen meteen onze waterzakken vol op goed vertrouwen dat deze info van onze buren klopt. ’s Avonds worden we nog uitgenodigd om bij een kampvuur te komen zitten. Het vuur laait flink op, want ook het hout moet op, omdat het niet mee over de grens naar WA mag. Het is best gezellig met deze twee stellen uit Canberra.

 

 

En dan beginnen we aan onze laatste fietsdag door de Northern Territory, want het is nog maar 69 kilometer naar de grens. De bijzondere, ook weer typisch Australische, bomen met een overmaatse stam en in verhouding ondermaatse takken die we sinds Timber Creek zien, blijven ons vergezellen. Deze boab’s lijken zo door een kleuter te zijn getekend en hun vaak groteske vormen verrassen ons iedere keer weer.

In de twee stops voor de grens eten we ons laatste fruit, salade en notenmix op. Bij de grens hangt een grote kaart met de Savannah Way, een populaire ‘coast to coast’ route van Broome naar Cairns of visa versa. Van de kaart zelf is niet veel meer te zien want hij is helemaal volgeplakt met kleine stickertjes die tegenwoordig op appels enzo zitten; blijkbaar wordt hier vaker het laatste fruit opgepeuzeld. We melden ons bij de grens en krijgen van de beambte voorrang voor de wachtende caravans. De vraag wordt gesteld of we fruit en/of honing bij ons hebben en na een zeer vluchtige blik in onze voorraadtas mogen weer doorfietsen. 

 

Nog 44 kilometer naar Kununurra. Eerst een vrij bochtige en heuvelachtige route maar de laatste 20 kilometer op een kaarsrechte weg. Op zo’n rechte weg, met nog een kilometer of tien te gaan tot Kununurra, zien we van verre een gedaante dat op een fietser lijkt…, een fietser? Met bagage!?! Ja warempel, het is David uit Spanje/Baskenland die de tegenwind trotseert en ons tegemoet komt fietsen. Hij is een joviale jongeman die zijn reis in Zuid-Amerika is begonnen en net als wij is hij blij om fietsers op de lege Australische wegen te ontmoeten. David fietst van Albany aan de zuidwest kust naar Darwin en keert daarna met het vliegtuig terug naar Perth om zijn daar wonende zus te bezoeken. We leveren flink wat informatie (en Instagram adressen) over en weer uit en geven David ons restant water mee: hij gaat de outback in en wij fietsen dadelijk Kununurra in met alle voorzieningen.

 

David

 

In Kununurra slaan we een stokbrood, kaas en een fles wijn in en fietsen dan door naar een prachtig caravan park net buiten de stad: Hidden Valley. Lekker douchen, handwasje doen en dan kan het genieten te beginnen voordat we opnieuw de outback -die belooft nog leger te zijn dan die we hebben achtergelaten- weer in zullen fietsen. De eerste 1000 kilometer in Australië zitten er op, nog een dikke 4000 tot Perth te gaan. O ja: en inmiddels 20.000 op de teller!

 


 »