Cambodja

Gepubliceerd op 15 april 2019 06:00

Na 6 weken Laos komen we aan bij de grens met Cambodja. We moeten eerlijk bekennen dat we ons voor het eerst niet zo verheugen op een nieuw land. Niet omdat we het reizen beu zijn, zeker niet! Maar Cambodja is een heet land en april is een hete maand. Het is het land om te doorkruizen op de weg terug naar Thailand, naar Bangkok waar we onze kinderen ontmoeten. Een land tussen van A naar B, zeg maar. En waarvan we meerdere keren hebben gehoord dat het best wel een saai, vlak land is om doorheen te fietsen. De nieuwsgierigheid die we bij andere vrij onbekende landen hadden, blijft nu vrij beperkt. Een absoluut toeristisch hoogtepunt is echter volgens velen het gigantische tempelcomplex Angkor Wat, vlakbij de grote (toeristische) stad Siem Reap. De wens om dat tempelcomplex te bezoeken en om op tijd in Bangkok te zijn, is bepalend voor ons fietsplan door Cambodja en we plannen de kortste route van Zuid Laos terug naar Thailand met daarin een bezoek aan Angkor Wat.

 

Over de grensovergang tussen Laos en Cambodja doen veel verhalen de ronde, de meeste gaan over het gegeven dat je hier en daar een extra dollar moet betalen. Blijkbaar verdienen de ambtenaren niet echt veel en maken ze dankbaar gebruik van hun macht om een zakcentje bij te plussen door één of twee dollar voor de gratis stempel te vragen. Principiële reizigers brengen soms meerdere uren door om hun gelijk te halen en niet te betalen. Bij ons groeit er een zorg van een andere orde als we arriveren. We hebben genoeg geld bij ons maar het zijn Laotiaanse kippen en blijkbaar kunnen we alleen met dollars betalen. Er is geen wisselkantoor, geen pinautomaat en er is geen grensstadje. Er is eigenlijk verdomd weinig aan de grens. Ja, weer een voorbeeldje van te weinig vooraf oriënteren (of teveel leven in het hier en nu). Er zit niets anders op dan dollars te kopen van het mannetje die waarschijnlijk reisleider is van het groepje toeristen dat bij departure rondhangt. Gevalletje win-win: hij verdient lekker en wij zijn enorm geholpen en kunnen verder.

 

 

Nog vlak voor de grens ontmoeten we Stefan die ongeveer rond dezelfde tijd van huis (Leipzig, Duitsland) is vertrokken en ongeveer in grote lijnen dezelfde route heeft gefietst. In Turkije is een vriend mee gaan fietsen en die is pas sinds kort (Vientiane, Laos) gestopt om terug naar huis te gaan. Stefan fietst door tot Bangkok en gaat dan naar huis. Het uitwisselen van verhalen maakt het wachten bij de douane aangenaam. 

Minder aangenaam blijkt de temperatuur en de weg van het traject vanaf de grensovergang. Na anderhalf uur ‘binnenkamers grensgedoe’ is de bewolking uit de vroege ochtend volledig opgelost en is de bijna acceptabele temperatuur gestegen tot de inmiddels welbekende plakkende hitte. De weg heeft hier en daar asfalt, maar grote delen van de saaie, rechte, vlakke weg bestaan uit puin, keien en zand. Ogen op de weg houden dus, maar er valt dit keer niets te zien of te missen: geen berg, geen beest, geen dorpje, geen huis, geen mens, zelfs geen passerende vrachtwagen. We zetten er maar een flink tempo in om zo snel mogelijk deze saaiheid achter ons te laten.

 

Het eerste dorp van enige omvang is direct ook een stadje: Stung Treng oftewel ក្រុងស្ទឹងត្រែង. Het Cambodjaanse alfabet is een maatje moeilijker en sierlijker dan Birmees, Thais en Laotiaans, maar aangezien we niet geleerd hebben die te lezen, besparen we ook deze keer ons de moeite om het alfabet te ontcijferen. We checken in bij een guesthouse en krijgen bij de receptie te horen dat de kamerprijs US$ 15 is, dat de Cambodjaanse valuta ‘riel’ heet en de prijs in riel de dollarprijs x 4000 is. We hebben nog wat dollars van de grens over, betalen het bedrag en vragen direct waar we een pinautomaat kunnen vinden om onszelf rijk in riel te rekenen. Wonderlijk genoeg komen er alleen gloednieuwe Amerikaanse dollar briefjes uit de automaat en wat we ook proberen: geen lokale riel. 

 

Het guesthouse heeft wifi en we zoeken (ja, nu pas) op hoe dat nou zit in Cambodja met geld. De Amerikaanse dollar blijkt de gebruikelijk munteenheid te zijn voor grotere bedragen en bij kleinere bedragen onder een dollar gaat men over op de riel biljetten. Maar ja, echt grote bedragen komen niet zo veel voor en we zitten direct met het probleem dat we twee biljetten van 100 dollar van de pinautomaat hebben ontvangen waar niemand van terug heeft. We lezen (jaah, nu pas) dat je bij een ATM met een buitenlandse bankpas altijd in dollar krijgt uitbetaald en indien mogelijk in $100 biljetten. De tip is om bijvoorbeeld $190 te pinnen in plaats van $200. Als we ’s avonds in een restaurantje eten samen met onze nieuwe fietsvriend Stefan zetten we op goed geluk ons dikke $100-biljet in en enigszins opgelucht blijkt het voor het restaurant mogelijk te zijn om ons ervan terug te geven.

 

Als we de volgende ochtend vroeg vertrekken regent het lichtjes. We stoppen een paar deuren verderop voor een ‘nompang’, een Cambodjaanse baguette met een paté-achtige worst, tofu-achtige gekruide kaas op een bedje van kruidenpasta en afgemaakt met komkommer, een zoet zure atjar tjampoer en een soort grasachtig blad. Grote ijsklonten steken met kop en schouders uit een bierpul waar een rietje naast is gestoken en een schattig keteltje met gloeiendhete kruidenthee wordt schijnbaar standaard mee uit geserveerd om op de ijsklonten te gieten. Inmiddels is Stefan ook aangeschoven en hij zal ons blijven vergezellen tot aan Siem Reap. Samen genieten we van een super fijn ontbijt, een goede bodem voor een uitdaging die we willen aangaan vandaag. Op zo’n 85 kilometer van Stung Treng ligt een guesthouse die ontzettend slechte recensies krijgt vanwege het gebrek aan hygiëne. Met de nachtelijke onweersbuien en vooral de hitte krijgt kamperen niet onze voorkeur maar wie weet is het noodzakelijk als het stoutmoedige plan mislukt om 145 kilometer te fietsen naar het daarna liggende stadje Preah Vihear met meerdere guesthouses. 

 

 

De regen stopt, de bewolking blijft en de temperatuur valt best mee vandaag, zo rond de 30 graden. Werkelijk miljoenen vliegjes zijn dankzij de regenbuien van afgelopen dagen geboren en hangen boven de weg. Het zijn nogal belabberde vliegers en velen vinden de dood als wij tegen de vliegjes aan fietsen. Onze voorkant ziet er zwart van, ons haar zit er vol van. Met enige regelmaat pauzeren we en zien we dat de afstand naar Preah Vihear, die op de kilometerpalen langs de weg staat aangegeven, steeds verder slinken. Ja ja, we gaan het gewoon halen! Tenminste dat vermoeden we als we in het dorp van het smerige guest house een lunch nuttigen en gebruik maken van de wifi van het restaurant om een voorzichtige selectie in guesthouses te maken. We lezen in één van de reviews dat de reden voor een bezoek aan het dorp gelegen is door een tempel met dezelfde naam ‘Preah Vihear’. Als het de moeite van het bezoeken waard is zouden we daar de volgende ochtend bijvoorbeeld eerst naar toe kunnen gaan en dan maar een kort stukje fietsen, of zelfs gewoon een extra dagje blijven in het stadje.

 

We zijn super blij als we inchecken bij het guest house al is de middag zo ongeveer aan z’n eind. Stefan checkt bij hetzelfde guest house in en krijgt de kamer naast ons en wederom met z’n drieën gaan we wat eten. We zoeken naar de plek die als enige pizza verkoopt. Volgens de fietscomputer zijn er vandaag >5000 k-calorietjes verbrand en dan gaat een pizza er wel in. Het lichaam schreeuwt om hartig, vettig en vooral veel! Het restaurantje blijkt helaas gesloten maar ernaast zit een prima restaurant met een lokale kaart, ook in engels en we laten de tafel vol zetten met schalen en vallen dan aan. Nadat de grote honger gestild is checken we het hoe, wat en waar van die tempel op internet. We komen erachter dat de tempel Preah Vihear 115 km noordelijker ligt tegen de grens met Thailand. Niet echt geschikt voor een ochtend bezoekje op de fiets dus. Het stadje, waarin we zitten, heet officieel ook niet Preah Vihear maar Phnom Tbeng Meanchey. Ach het staat 145 km lang op de kilometerpalen aangeduid als Preah Vihear en we blijven het maar zo noemen, al is het maar om het gemak.

 

Van Preah Vihear naar Siem Raep zijn nog twee etappes, ene van 55 kilometer naar een dorpje bij tempel Koh Ker en ene van 112. Bij de tweede etappe nemen we een afkorting en slaan af van de hoofdweg, wat de dagafstand zou terug brengen tot 98 kilometer. De eerste vijf kilometer van die afkorting zijn lekker te fietsen: het rode gravelweggetje door dorpjes en jungle is leuk en mooi en de mensen langs het pad zijn vrolijk en blij je voorbij te zien fietsen.

 

 

Daarna wordt het pad een singletrack en dáárna een restant van een pad dat tevens functioneert als beekje tijdens het regenseizoen. Het is niet meer te fietsen en dikke modder hoopt zich op tussen wiel en spatbord. Het is weer eens zo’n afkorting (vaak voorgesteld door fietsroute-apps) die we na een tijdje vervloeken en waarbij we het uiteindelijk uitschreeuwen het advies nooit meer op te volgen. We lopen na een tijdje met de fiets aan de hand en het achterwiel opgetild. Het pad ligt vol bladeren en we zijn ons bewust van waarschuwingen dat er slangen in kunnen zitten. Overigens denken we ook aan ander ongedierte terwijl we ons een weg banen door de struiken die over het pad heen groeien. Na op zo’n manier een paar kilometer te hebben voort geploeterd kunnen we gelukkig weer fietsen en als we de bushbush uitkomen is het eerste dat we tegenkomen een scooter-wasplaats. De eigenaar spreekt verrassend een aardig woordje Engels en vertelt dat er best ook wat toeristen op scooters daar de jungle in schieten, maar er vaak al snel weer uit terug keren, meestal wel al onder de modder. Strategisch dus een goede plek voor een wasplaats en heel fijn voor ons om de fietsen én onszelf af te spoelen. De eigenaar vertelt dat we ons (hier) geen zorgen hoefden te maken over de slangen. Ze zijn er wel, maar ze zijn klein en niet giftig. Waar het gebied meer bekend om staat en waar we ons terdege van bewust hadden moeten zijn, is dat er nog heel veel mijnen liggen… okay…!

 

 

Tot slot fietsen we nog 17 kilometer in de hitte over de drukke hoofdweg naar Siem Reap en eindigen op een terras om na vier fijne dagen afscheid te nemen van onze nieuwe fietsvriend Stefan. Hij heeft zijn oog laten vallen op een ander guesthouse dan wij. Eén factor is in deze hitte zowel voor hem als voor ons bepalend: er moet een zwembadje bij zijn.

 

 

Na een dagje relaxen en badderen voelt Roelie zich wat ontstemd terwijl relaxen en badderen juist een exact tegenovergestelde werking zou moeten hebben. We weten inmiddels dat er maar één remedie is en dat is erover praten. Komt het van de mislukte poging om een nompang te scoren? De baguette straatverkopers lijken verbannen te zijn uit het centrum en na een uur zoeken vindt ze een Asia Market die Frans stokbrood en Hollandse kaas verkoopt. Nee dat is het niet. Roelie vermoedt dat het komt door ons voorgenomen bezoek aan Angkor Wat. Het is een zogenaamde ‘must see’ en staat op onze planning voor morgen, maar als ze eerlijk is heeft ze geen zin om te gaan. Het is 10 km fietsen en kost $37 pp om naar binnen te mogen. Het gebied rond de tempels is groot en kost vermoedelijk zo’n 30 km rondfietsen. Er zijn 3 tempels die je moet zien: Angkor Wat, Angkor Thom en een derde waar we de naam niet van opgeslagen hebben. Een tempel is een dik uur wandelen en traplopen. Overal en altijd schijnt het overladen te zijn met toeristen (op google zijn bijna 300.000 foto’s geupload van tempel Angkor Wat). Oh en het is dus bijna iedere dag zo richting de 40 graden. Harry had er al helemaal geen zin in, maar had dat voor zich gehouden. Het besluit om niet te gaan is vervolgens snel genomen. Lekker gewoon nog een extra dagje aan het zwembad en gewoon even nixen! Het humeur spurt vooruit!

 

 

Uiteindelijk blijven we zes nachten plakken in Siem Reap zonder Angkor Wat en de andere tempels te bezoeken. Wel kijken we op YouTube een BBC-documentaire over Angkor en weten er daarna een hoop meer over dan wat een fietstour zou opleveren. Alleen die overweldigende indruk die je opdoet als je er zelf staat, tja die ontbreekt.

We vinden een zeer prettig ritme om de hitte te accepteren. ’s Ochtends doen we nog wel iets zoals boodschappen, markt, fietsenzaak of fiets poetsen en invetten maar rond 12 uur komt er een kokosnoot milkshake en iets later een baguette met Gouda cheese en liggen we aan het zwembad waar zelden andere gasten rondhangen. Aan het eind van de middag kijken we in de kamer met de airco aan een gedownloade film. ’s Avonds eten we ergens in de stad.  

Op één van de middagen valt de elektriciteit uit in ons hotel. Dat zijn we wel gewend in Cambodja (en Laos), maar nu lijkt het probleem hardnekkig en langdurend. Als het buiten donker wordt, zitten we al zes uur zonder stroom. Het is inmiddels heel warm in onze kamer, waardoor de optie “laten we gaan slapen” tot mislukking is gedoemd. Inmiddels is ook de waterdruk in ons hotel verdwenen, dus besluiten we om eens te kijken hoe de rest van het centrum met dit probleem kampt. We zien direct lichten aan op de Night Market en lopen door naar Pub Street: een straat die pas tot leven komt als wij al in bed liggen. De vele generatoren houden de boel daar draaiende: de muziek schalt uit de boxen, een groot deel van de verlichting is aan en het bier stroomt koud uit de tap. In plaats van ons rituele etentje ergens achteraf zitten we al gauw aan ons zoveelste biertje, is de honger verdwenen en lonkt de dansvloer aan de overkant ons. Uitzonderlijk laat (tegen middernacht; ja voor ons is dat inmiddels vreselijk laat) keren we terug in het hotel waar de stroom nog niet volledig is teruggekeerd, maar de waterdruk wel. We spoelen het zweet van de dansvloer af en zijn als tieners zo blij dat we weer eens ouderwets zijn uit wezen dansen.

 

 

Er zijn twee routes vanuit Siem Reap naar Bangkok. De ene is het kortst en waarschijnlijk saai: er loopt een kaarsrechte hoofdweg van Siem Reap westwaarts. De andere is ons in Laos ingefluisterd door een stel uit Toronto en loopt via de Cambodjaanse stadjes Battambang en Pailin. Dat lijkt ons leuker totdat we erachter komen dat Battambang wel een heel eind fietsen is: twee lange dagen van ieder 100 km over saaie hoofdwegen: vooral in deze hitte geen leuk vooruitzicht. Dat moet anders kunnen en dat is met een boot en dat gaan we doen. De pier ligt 10 kilometer onder Siem Reap en de boot vertrekt dagelijks om 8 uur in de ochtend. Op de dag dat wij de boot willen pakken vertelt een man op de pier ons dat de boot elders is vertrokken en vroeger dan normaal. De ticket dame wijst ons daarentegen gewoon naar de pier maar als ze ons de tickets wil verkopen gooit de man roet in het eten en onze tickets blijven onafgescheurd in het ticketboekje steken. We zijn flink verontwaardigd. Het hotel heeft de vorige dag nog contact gehad om ons te kunnen informeren en over afwijkende vertrekplaats of vertrektijd is niets gezegd. Ach, misschien ook niet zo vreemd want de ticketverkoopster weet er klaarblijkelijk ook niets vanaf. We laten ons dit keer niet zo maar afschepen en blijven boos aandringen. De man, die zo op het zicht geen duidelijke functie heeft, belt en vertelt ons even later dat we met een klein bootje naar de grote boot worden gebracht. De tickets worden alsnog afgescheurd en we vouwen onszelf op in de kleine boot die onze fietsen en nog een familie meeneemt. Eenmaal op het meer laat de schipper zien hoe hard zijn kleine boot (met blijkbaar giga motor) kan. In ‘planee’ glijden we over de groene algen en binnen de kortste keren liggen we naast ‘de grote boot’ om over te stappen.

 

 

De grote boot heeft een Noorse familie aan boord en daarmee varen we de rivier op. Fascinerend zijn de floating villages waar we doorheen varen. Af en toe komen er een paar passagiers bij uit de dorpjes. De drijvende huizen zijn vaak felgekleurd, gebouwd met wat er maar voorhanden is en bijna iedereen lijkt wel wat te verkopen of te verhandelen. De huizen drijven op oude lege olievaten of een heel pakket aan bamboostammen. We zien veel, heel veel waterhyacint. De schoep van de boot moet herhaaldelijk in de achteruit om de planten kwijt te raken. Met hoge bamboeconstructies zijn schepnetten opgehangen om te vissen. Aan het eind van een dergelijke constructie staat een super klein hutje. De meeste zijn verwaarloosd en buiten gebruik maar her er der verraad de was die buiten hangt te drogen dat de hutjes bewoond worden.

 

 

Na drie uur varen legt de schipper aan en vertelt dat we 30 minuten aan wal gaan voor een pauze. Na 30 minuten vertelt de schipper dat hij een bus heeft gebeld. Het water staat te laag en hij vaart niet verder. Onze route apps vertellen dat het nog 46 kilometer is naar Battambang en op het heetst van de dag vinden we dat best wel ver. We hebben gehoord dat het een ‘bumpy road’ is. We zijn benieuwd of de fietsen mee kunnen op de bus. De schipper zegt dat het kan en dat het allerlaatste stuk van de resterende afstand te fietsen is, als we dat willen. Hmmm we gaan graag met de bus mee. De bus blijkt een oude Toyota hillux pickup. De laadklep wordt fietsdrager voor één fiets en met plakken en touwen wordt de andere fiets vastgesnoerd, hangend in het luchtledige. Aan drie zijden worden in de bak balken vastgesnoerd waarop de volwassenen moeten gaan zitten. De kinderen proberen bovenop de bagage (waaronder onze fietstassen) in het midden hun evenwicht te behouden. Uiteindelijk worden zo een man of twintig in en op de arme Toyota gestouwd, natuurlijk de blanken met de chauffeur in de cabine. Alle blanken? Nee, niet alle. Omdat er te weinig plek is in de cabine bij de bestuurder maar juist ook om de fietsen in de gaten te houden, neemt Roelie plaats tussen de locals achterin. De weg is erg slecht. We vliegen alle kanten op en achterin duiken we de bak in om takken te ontwijken. Met leden ogen ziet Roelie hoe voeten op de fietstassen staan terwijl we massaal op en neer stuiteren. In ene zit een laptop. De balk schuift langzaamaan tussen de spaken van Harry’s fiets en als die ook mee stuitert en het Roelie niet lukt tijdens de stuitingen het wiel voldoende weg te drukken, laat ze de pickup stoppen. De chauffeur legt nog eens een extra touw aan en zegt dat het nu okay is. We gaan weer verder, maar het gaat niet goed. Het is wachten totdat er spaken knappen en wie weet welke ander schade nog meer wordt aangericht die vanuit de plek waar Roelie zit niet is te zien. Ze laat de pickup opnieuw stoppen. De fietsen gaan er af. We gaan fietsen. Het is nog maar een kleine 40 kilometer. 

 

 

Al na enkele meters wordt de weg slechter en vullen de karrensporen zich met glibberige natte modder. Waarschijnlijk gebeurt dat vaker en naast het karrenspoor ligt iets hogerop een scooter-spoor. Enkele stukken zijn ook glibberig, hobbelig, smal en de planten hebben nare doorns. Soms lopen we stukken en we halen ons armen en benen open aan de struiken. Een Engelssprekende tegenligger vertelt ons dat na 300 meter de weg beter wordt. Gelukkig, want ons humeur is inmiddels op weg naar de filistijnen. De man had gelijk. De weg wordt beter. We kunnen het karrenspoor weer op en ‘maken meters’. Echter…: donkere wolken pakken zich samen in de richting waar wij naar toe moeten. Het mag niet gaan regenen, dan halen we Battambang nooit. De tropische ondergrond van dit pad wordt namelijk meteen stopverf als het nat wordt. We fietsen ons een ongeluk en vooral bij Harry loopt het achterwiel vast door vastgekoekte modder, maar hij zal en moet en wil Battambang halen voordat de regen komt. Een ongelijke strijd, want de weg was lang en de regen dichtbij. Het begint met een regenbui, gaat over in een storm en eindigt in tropische hoosbui. 

 

We zijn de dame dankbaar die ons waarschuwt voor de hoosbui en ons een schuilplaats aanbiedt. Terwijl we schuilen voelen we ons niet geheel op ons gemak. De dame runt een ijshandel en twee jongens lossen een vrachtwagen vol enorme blokken. Hoosbui of niet, ze gaan onverstoorbaar door met hun werk. Ook zien we kinderen door de modder fietsen zonder dat het aan de wielen plakt. Hoe kan dat nou? Is het een kwestie van meer gewicht, of ligt het aan het profiel op onze banden? 

 

Hoe dan ook de modder plakt met name bij Harry aan het achterwiel er hoopt zich dan op tussen het spatbord. Het wiel loopt vervolgens vast. Met stokjes, die continu afbreken, proberen we de modder er weer tussenuit te krijgen, maar al gauw loopt de ruimte weer vol en is fietsen onmogelijk. We denken dat we gestrand zijn bij de vriendelijke ijsdame. In gebaren en met foto’s proberen we van haar informatie te krijgen of de weg verderop verhard is. Het levert geen antwoord op, maar ons ongemakkelijke gevoel stuurt ons toch maar terug de weg op als de hoosbui op z’n eind loopt. Het is dan inmiddels 5 uur en we hebben nog 22 kilometer te gaan naar Battambang. De eerste kilometer gaat goed, de tweede is weer drama. Vanaf de derde kilometer zijn er vrij veel plassen op de weg en door de plassen te fietsen gaat ietwat beter. Alsof we peuters zijn die de plassen inspringen, zoeken we de weg af naar het spoor met de meeste plassen. En na 5 of 6 kilometer ploeteren door modder en plassen en vele stop- en schraapacties komen we juichend op een verharde weg aan, al durven niet te juichen, want je weet nooit hoe lang het duurt, maar het duurt, zelfs helemaal tot Battambang. 

 

Het is donker als we het deels ondergelopen centrum in fietsen en het niet alleen omdat de zon onder is gegaan. Ja hoor, de stroom is uitgevallen. Het Star hotel is daardoor niet zichtbaar vanaf de straat. We fietsen wat door totdat we aankomen bij een deel van de stad waar de stroom nog werkt en een man de straat op loopt en “Royal Hotel” roept, de naam van het hotel waar hij voor staat. Vanwege het laagseizoen kunnen we voor 15 dollar een fijne kamer krijgen, ‘special low price for you my friend’. Hij sleurt ons mee naar de overkant van de straat om de modder van onze benen en voeten te spoelen en biedt aan dat hij onze fietsen afspoelt. Nog steeds stinkend en met vieze kleren gaan we aan de overkant eten. Alle mensen uit het hotel zijn de straat overgestoken, dus het zal wel goed zijn. We gaan uit goed fatsoen op enige afstand van de andere gasten zitten en krijgen een prachtige Italiaanse menukaart en vieren dat we Battambang hebben gehaald met pizza!

 

De volgende en laatste etappe door Cambodja brengt ons naar stadje Pailin. Het is in principe niet heel erg ver (85 km) en ook niet erg veel hoogtemeters (330 m omhoog) maar we hebben het er toch zwaar mee. Hebben we al gezegd dat het warm is in Cambodja? We weten het niet meer, we kunnen niet helder meer denken. Even hebben we het idee dat we de 85 kilometer ruim voor 13 uur kunnen afronden, maar Harry krijgt na zo’n 50 km een lekke band en de oorzaak kunnen we niet vinden. We leggen een nieuw binnenbandje om het achterwiel en fietsen 100 meter tot de band nu zelfs in korte tijd volledig plat staat. Hoe kan dat nou? Een tweede inspectie van de buitenband en velg levert wederom geen oorzaak op. We pompen het nieuwe binnenbandje op om te zoeken waar het gat zit. Deze liep zo snel leeg, misschien is zonder water het gat te vinden en dat lukt. De nieuwe binnenband is op zijn naad gescheurd. Dat kan niet komen van een minuscuul ijzerdraadje, dit moet een fabricagefout van Bontrager zijn. Van dat type band hebben we er nog vier extra, allemaal in Yangon, Myanmar gekocht toen we erg veel lekke banden hadden. Sindsdien hebben we geen lekke band meer gehad en dus deze bandjes nog niet hoeven te testen. We durven er niet nog ene te gebruiken en kiezen voor een reeds meerdere keren geplakte Schwalbe bandje. Die brengt ons in Pailin, onze laatste stop in Cambodja. Vanaf hier nog 19 kilometer naar het casinodorp Prum aan de Thaise grens en dan ligt Cambodja alweer achter ons. Oh konden we die verstikkend hoge temperaturen maar achter ons laten! Wat we niet achter ons zullen laten is het Songkran-Festival, het nieuwjaarsfeest. Het wordt gevierd in Laos, Cambodja en jawel, Thailand en begint vandaag. Het feest duurt drie dagen en is vooral bekend om de onderlinge hilarische watergevechten. Al weken lang hebben we langs de weg gigantische 'super-sookers' zien hangen, naast de bananen en de zakken chips. De receptioniste voorspelt ons een 'nat pak', want we zullen naar verwachting niet worden gespaard. Wat minder leuk is, is dat het festival ook bekend staat om het jaarlijks aantal verkeersdoden. De Thaise politie geeft aan, dat deze dagen de gevaarlijkste dagen zijn van het jaar om de weg op te gaan. We zullen ons lekker nat laten spuiten, maar tegelijkertijd goed moeten opletten dat ze ons niet met een zatte kop van de sokken afrijden.

 

Oké, nog één keer zwaaien dan: dag Cambodja, dag lieve mensen; het was aangenaam je te bezoeken, maar potverdrie wat ben je heet!

 


«   »