Myanmar (1)

Gepubliceerd op 14 januari 2019 08:00

Myanmar, oftewel Birma, oftewel Burma. Nog steeds een land met veel geheimen. Lange tijd ontoegankelijk voor buitenlanders/toeristen, daarna nog enige tijd apathisch jegens mensen die het land willen doorkruizen op een fiets en niet per vliegtuig het land binnenkomen, naar een resort worden gebracht en vanaf daar hooguit een paar georganiseerde trips ondernemen. Myanmar, het land met het voor ons onleesbare schrift (ook cijfers), het land waar Engels als mondiale taal nog nauwelijks zijn intrede heeft gedaan. Myanmar, een land op weg naar openheid en democratie, maar ook met verontrustende berichten in het wereldnieuws. Sinds augustus 2017 zijn de (lands-)grenzen verder opengegaan: je hoeft - naast een visum - geen vergunning via schimmige tussenpersonen aan te vragen. Eigenlijk is het visum voor Myanmar “een eitje”, in vergelijking met dat voor India. Myanmar, een land met een heel rijke geschiedenis, het land van de duizenden Pagoda’s, de een nog schitterender dan de ander, het land van de vele oude rijken en steden, vaak op verschillende manieren gespeld. Tijdens onze fietstocht zullen we meerdere voormalige hoofdsteden aandoen, waarvan één zich momenteel de hoofdstad mag noemen: Naypyidaw. Inderdaad, ene uit de categorie: ‘nog nooit van gehoord’. We zijn nieuwsgierig naar dit land, zoals naar elk land of streek dat we bezoeken. We hebben onze verwachtingen (of vooroordelen) en ook nu gaan we het weer gewoon meemaken.

 

Op 30 december zijn we exact een half jaar onderweg. Bij de grens zijn we langer bezig aan de zijde van India dan aan de zijde van Myanmar. Om te beginnen worden we direct al door militairen de verkeerde kant opgestuurd. Als we eenmaal weer de goede kant uitgaan volgt er (alweer) een militair checkpoint met de welbekende maar toch nu echt overbodige vragen: Wat is het einddoel van uw reis? Uhhh, Alaska. Nee, laten we maar Bangkok zeggen. Hoe lang duurt uw reis nog voort? Uhhh, tweeëneenhalf jaar. Nee, laten we maar eind april zeggen). Alles gaat tergend langzaam en en duurt bijna een half uur voordat we verder mogen. 

 

Het is even zoeken naar het immense kantoor/terminal van de Indiase immigratiedienst en als we het vinden moeten we ons inhouden om niet te roepen: mogen we eindelijk het land verlaten? De gigantische hal is compleet verlaten, alle stoelen zoals je die tegenkomt op vliegvelden, zijn leeg. Het is “wij versus twee ambtenaren”. De immigratie ambtenaar heeft een grote BeatsByDre-koptelefoon op en merkt ons pas op als we aan zijn loket de aandacht proberen te trekken. We wijzen naar het lege loket van de emigratie, maar hij neemt blijkbaar ook waar voor zijn emigratie collega of meer waarschijnlijk, zijn alter ego. Bij hem scoren we snel een check-out stempel. Op naar ambtenaar twee, oftewel de douane ambtenaar. Bij deze sterk naar alcohol ruikende meneer moeten we opnieuw een vragenlijst invullen over de hoeveelheid contant geld, of we noten, groente, fruit of vlees bij ons hebben, etc. Tot onze verbazing wil de beambte na het invullen van de lijst zelfs de bagage controleren en moeten we de fietstassen openmaken voor een overigens vluchtige controle: hebben we bij binnenkomst van India niet hoeven te doen. Toch wat vreemd als je een land verlaat, maar goed je weet nooit of we onderweg een neushoorn hebben geveld.

 

Toevallig komt er een fietser aan en zijn we niet langer alleen in de hal. Hij heet Aziz en komt uit Frankrijk. Hij fietst met een grote rugzak op de rug. Hij vertelt dat hij eerst door China heeft gewandeld, in Mongolië een paard kocht om op rond te trekken en in China een fiets om verder te reizen. Hij komt Myanmar uit en gaat India in. We vragen hem over zijn ervaringen en vertellen hem over India. Hij kan bevestigen dat de noordelijke grensovergang naar Thailand open is, maar dat er een gebied ligt waar je niet doorheen mag reizen. De enige manier om bij die grensovergang te komen is vliegen. Hij heeft dat gedaan en laat ons zien hoe hij zijn fiets had ingepakt: gewikkeld in karton en ingesnoerd met tape. Hahaha. Hij vertelt ook dat hij niet altijd een hotel kon vinden om te overnachten en bij kerken en kloosters heeft aangeklopt. We vragen de douanebeambte om een foto te maken van ons met deze vrolijke Fransman. Dat gaat de man bijzonder slecht af, we hebben zo een idee hoe dat komt. Of zijn hand zit voor de lens of we staan er niet allemaal op. Op z’n Indiaas maken we dan zelf maar een selfie.

 

Na een metalen brug over het riviertje dat de grens vormt, komen we bij een minikantoortje van het Myanmarese Immigratiekantoor. We vullen een simpel klein formuliertje in en krijgen vlot een stempel in ons paspoort. Na enkele minuten fietsen we verder nadat we nog wel even vragen aan welke kant men hier rijdt. Het antwoord is rechts. 

 

Rechts rijden is niet het enige verschil met India. Het Birmese grensstadje Tamu lijkt in de verste verte niet op Moreh, het Indiase grensstadje dat we vanochtend hebben verlaten. Het is schoon en opgeruimd. De wegen zijn breed, in goede staat en geordend. Het verkeer is niet alom en luid toeterend aanwezig. We worden vriendelijk geholpen met geld wisselen en een paar uiterst schattige jongedames helpen ons om twee simkaarten te activeren en op te waarderen. Tot slot blijkt ook de pinautomaat te werken en kunnen we volledig geslaagd dit nieuwe land gaan verkennen. De eerste indrukken van Myanmar mogen er zijn!

 

De aanleg van de weg vanuit Tamu verder het land in, is een vriendschapsproject van India. In tegenstelling tot de meeste Indiase wegen is het een uitermate goede weg met uitzondering van de bruggen. Die zijn nogal smal en van houten planken gemaakt en daarop was asfalt gestort. Alleen in het midden is soms nog iets van terug te zien van dat asfalt. De planken zijn kapot en versplinterd en er zitten brede listige kieren tussen. Op meerdere bruggen zijn mensen bezig om de hoog uitstekende nagels terug in het hout te slaan. Vlak voor en na een bruggetje is het manoeuvreren tussen bulten en kuilen. Met name de spleten tussen de planken zijn voor onze fietsbanden uiterst link. Uit voorzorg gaan onze schoenen telkens uit de clicks en steppen we over de bruggetjes.

Maar wat vooral opvalt zijn de vrolijke mensen langs de kant van de weg. Het doet denken aan de hardloopevenementen in Nederland waarop de hardlopers worden aangemoedigd. Van alle kanten wordt gezwaaid, duimen opgestoken, gelachen en “hello” “bye bye” of “mingalawa”  geroepen. En nog fijner: geen selfies meer. Ander groot verschil is dat we bijna niets meer kunnen lezen. Het Birmese schrift kent prachtige letters en cijfers maar er is echt niets van de maken. Bij hoge uitzondering is iets van het Latijns schrift te zien, bijvoorbeeld op reclames of op verkeersborden waar onder het sierlijke schrift klein afgedrukt de voor ons leesbare afstand naar de volgende stad op staat.

 

Rond 15 uur op deze eerste dag in Myanmar krijgen we een bericht van onze Oostenrijkse en Duitse fietsvrienden. Zij zijn ’s ochtends (veel) eerder vertrokken uit India en melden dat zij het dorp Khampat verlaten en verder fietsen. Khampat was voor hen en is voor ons de beoogde bestemming van vandaag. Ze gaan proberen nog 75 kilometer verder te fietsen naar het stadje Kalay waarvan we weten dat er hotels zijn waar buitenlanders mogen overnachten. Niet ieder hotel mag onderdak bieden aan buitenlanders. De huidige adviseur van de staat Aung San Suu Kyi moest ooit terechtstaan nadat ze een Amerikaan onderdak had geboden nadat hij een meer was overgezwommen naar haar huis in Yangon waar ze een huisarrest uitzat.

 

Khampat blijkt geen klein dorp, maar een stadje met 33.000 inwoners. Er moet toch wel iets van een hotel of guesthouse zijn? We zien een druk bezocht café en gaan naar binnen. We hebben onderweg veel reclames gezien voor bier en daar zijn we wat dorstig door geworden. In India zie je geen bierreclames langs de weg en zeker geen gezellige terrasjes. Hier in Myanmar is het een aaneenschakeling van uitnodigende terrasjes. Best moeilijk voor mensen zoals wij die graag een terrasje en een biertje pakken en dat al weken lang niet zijn tegengekomen. Het is inmiddels al half vijf en met ruim 60 kilometer op de dagteller vinden we dat het mag; linksom of rechtsom, in dit stadje gaan we overnachten. 

 

Het café zit vol jonge mensen maar er blijken maar weinig Engels te spreken. Een jongen, die wel wat Engels spreekt, komt uit India en fungeert als tolk tussen de locals en ons: hij weet ons te verzekeren dat er in Khampat inderdaad geen enkele accommodatie is voor buitenlanders. Er zijn wel tientallen kerken van allerlei gezindte en met het verhaal van de Franse Aziz in ons achterhoofd opperen we het idee om bij de Rooms-Katholieke kerk aan te kloppen. De jonge Indiër denkt dat dat een goed idee is en wenst ons veel geluk toe en hij vertrekt. 

 

Op het voorterrein van de Rooms-Katholieke kerk spelen een aantal kinderen. Ze wijzen naar de pastorie als we vragend om ons heen kijken. Er komt een man uit de pastorie naar ons toe lopen die zich voorstelt als pastoor father John. Hij spreekt redelijk Engels en we vragen hem of we ons tentje ergens op het grote ommuurde terrein rond de kerk mogen opzetten. Voor de zekerheid laten we een foto zien van ons tentje. De goedlachse father John verwelkomt ons hartelijk en hoeft er geen moment over na te denken of wij mogen overnachten. Tentje opzetten hoeft niet: hij biedt ons de keuze om in de torenkamer te overnachten of in de pastorie. Hij laat ons de kamer in de pastorie zien en we gaan dankbaar in op zijn aanbod om daar te mogen overnachten. Hij vertelt ons dat we maar even moeten gaan eten en dan maakt hij de kamer verder gereed. Dichtbij aan de hoofdstraat vinden we een “restaurant”: een eettent in die zin dat het geen gebouw is maar letterlijk een tent waarin gekookt wordt en aan de weg staan plastic tafels en plastic stoelen uitgestald. Eén van de mensen spreekt zelfs een woordje Engels. We vragen om vegetarisch eten en uit zijn reactie maken we op dat er niet vaak vegetarisch wordt gegeten. Later blijkt dat voor heel Myanmar zo te zijn. Ze zetten witte rijst voor met gebakken groente in een zoete saus, twee verschillende salades en pittige soep en het smaakt heerlijk. 

 

Na het diner lopen we de hoofdstraat verder in. Er is namelijk een soort van kermis. Er is zo’n touwtrek kraam en er zijn spelletjes te spelen. We raken in gesprek met dorpelingen als we staan te kijken bij een spel waarbij banden worden gerold die daarna om één van de flesjes in het veld moeten vallen. Eén van hen heeft geluk en wint een blikje bier; zo te zien heeft hij al heel wat gewonnen vandaag. Het blikje bier geeft hij aan ons ter ere van nieuwe vriendschappen. Natuurlijk moeten wij het ook proberen. Roelie heeft geen geluk maar Harry laat op zijn beurt ook een band om een fles vallen. Het halve dorp lacht zich in een deuk om deze bleekscheet die blijkbaar goed is met banden rollen. Het door Harry gewonnen biertje geeft hij op zijn beurt aan de dorpeling ter ere van nieuwe vriendschappen. Samen met onze nieuwe, ietwat aangeschoten, vriend  beproeven we ons geluk bij een volgend spel waar met tennisballen naar een stellage wordt gegooid. In de stellage staan flesjes en het is de bedoeling die om te gooien. De moeilijkheidsgraad ligt een stuk hoger dan die bij het banden rollen, de prijs is hetzelfde: een blikje bier. Roelie gooit waardeloos en houdt het na één bal voor gezien. Harry gooit keihard maar mist steeds net doel, onder luid oeh en aah gejoel van de omstanders. 

 

Als we terug naar de kerk wandelen zien we enorm veel sterren aan de hemel. Onze fietsvrienden zijn nog steeds bezig aan de etappe van in totaal 135 km. Waarschijnlijk onder een nog mooiere  sterrenhemel. Er is door de verlichting om ons heen net geen melkweg te zien. Het zou best nog wel eens een hele speciale mooie rit kunnen worden voor hen.

 

Father John zit tv te kijken en heeft Engels voetbal opstaan. Hij heeft verzuimd het krediet tijdig aan te vullen en de tv houdt op met uitzenden. We gaan naar de kamer en zijn verbluft als we zien dat de houten bedden zijn voorzien van matrassen, lakens, dekens en klamboe. Het ziet er bijna uit als een hotelkamer. Kort daarna wordt het donker in huis. Khampat heeft alleen stroom tussen 6 tot 8. Wie daarbuiten nog stroom wil, moet een generator gebruiken. Een paar lampen werken op batterijen en Father John vertelt dat hij de kerkelijke generator aanzet voor de mis morgenochtend. Die begint elke dag om 6 uur. Veel dorpelingen vinden het nu te koud om zo vroeg naar de mis te komen, aldus de pastoor. De mis wordt gehouden in de lokale taal en is voor ons niet te volgen. Dat klinkt als een mooi excuus om lekker te blijven liggen.

Om half zes slaat de klok een aantal keren. Waarschijnlijk om de dorpelingen op te roepen om naar de mis te komen. Wij draaien ons nog een keer om. We hebben in Myanmar een uur verloren ten opzichte van India. Voor ons gevoel is het dus pas half vijf. Bovendien is het oudjaarsdag vandaag en zou het wel eens een latertje kunnen worden.

 

We fietsen vandaag met één hand aan het stuur. De andere zwaait naar de mensen langs de kant van de weg. Tegen tien uur gaan we de bermtoerist uithangen en zetten we ons gasstel aan om water te koken voor een uitgebreid koffiemomentje. Tussendoor luisteren we naar de laatste dag van de Top2000 en zingen luidkeels mee met ‘Iedereen is van de wereld en de wereld is van iedereen’ van de Scene; toepasselijker kan niet. Naast de weg staat een groot bord dat aangeeft dat we de kreeftskeerkring passeren. Rond lunchtijd stoppen we bij een wegrestaurant waar we onze fietsen schoonmaken. Dat werd weer tijd na het stoffige India. En als je goed voor je fiets zorgt, zorgt de fiets ook goed voor jou. 

 

Op 25 kilometer afstand van Kalay vullen we langs de kant van de weg onze bidons bij als er van de tegengestelde richting een dame op ons af fietst. Ze heet Sophie, komt uit Frankrijk, woont in Schotland en is sinds april onderweg. Op haar stuurtas heeft ze een stapeltje foto’s liggen. Op dit moment prijkt er een jongeman bovenop, waarschijnlijk vriend of broer, wie weet. Ze is door Scandinavië en Rusland getrokken en het werd haar in Mongolië te koud waarna ze richting Zuidoost Azie is gereisd. Ze doet onderweg vrijwilligerswerk. Ze vertelt dat ze in Myanmar een stuk met de trein heeft gedaan maar dat fietsen waarschijnlijk sneller was geweest. De grens met India is voor haar te ver weg voor vandaag. Wij vertellen haar dat er geen eerdere accommodaties zijn maar dat ze wellicht kan aankloppen bij Father John. Ze noteert zijn kerk in maps.me, terwijl we haar vertellen dat haar landgenoot Aziz een dag voor haar dezelfde kant uit fietst. Na nog wat gekeuvel nemen we hartelijk afscheid van elkaar. We kijken elkaar aan: “stoer hè, zo’n jonge vrouw in haar uppie op de fiets”!

 

We fietsen het laatste stukje naar Kalay en checken in bij hotel Moe waar onze fietsvrienden ook verblijven en die voor ons een kamer hebben gereserveerd. Op het dakterras zien we elkaar weer en drinken er een glaasje bier voordat we aan de overkant naar een restaurant gaan. Het restaurant is getipt door het hotel. Dat lijkt een beetje vreemd aangezien het hotel op het dakterras een eigen restaurant heeft totdat de drie opmerken dat de menukaart exact hetzelfde is als die van het hotel. We doen het ermee en bestellen er zelfs een fles wijn bij. Het is niet elke avond oudejaarsavond! Na het eten nodigen Tanja en Jakob ons uit op hun kamer om nog een afzakkertje te doen. We halen het niet tot 12 uur. Eenmaal op onze eigen kamer valt Harry direct in slaap. Het lukt Roelie nog om kort naar het vuurwerk te kijken voordat ook haar ogen dichtvallen.

 

Op de eerste ochtend van het nieuwe jaar is ons plan, om in een dag of 3-4 naar de oude stad Monywa te fietsen, onderhevig aan enige bedenkingen. Er is op internet namelijk niets te vinden onderweg: geen accommodatie en ook geen kerk of klooster en niet eens een politiebureau om navraag te doen waar te overnachten. Onze fietsvrienden hadden al een ander plan dat nu ook voor ons het meest billijk lijkt: een boottrip over de Chindwin River naar Monywa. Dat betekent een korte etappe naar het dorp Kalewa aan de Chindwin River op deze nieuwjaarsdag. Het is een prachtige rit. Het volgt een riviertje dat door een gebergte kruist en kronkelt als een oude rupsbaan door dorpjes, langs pagoda’s van links naar recht en naar boven en beneden. De Efteling is er niets bij. Na 40 kilometer zijn we in Kalewa.

 

Tanja, Jakob en Christoph zijn (wederom) eerder vertrokken en eerder aangekomen en tippen ons waar we de boot kunnen vinden en de ticket verkoop. De verwachting is dat de boot ons tussen 14 uur en 16 uur oppikt en er 6 tot 9 uur over doet om Monywa te bereiken. We verwachten rond middernacht aan te komen maar durven geen hotel te reserveren. En dat is maar goed ook. Om 15 uur komt de boot aan. De fietsen worden op het dek vastgebonden, de tassen op het voordek gelegd (en niet veel later door Tanja droog in een hut gelegd) en we nemen plaats op stoelen. Het is geen typische Aziatische overvolle boot en hij vaart ook nog eens aardig snel: aanvankelijk ruim 30 km/h, maar als het donker wordt zakt het tempo naar 20 km/h. Dat is klaarblijkelijk niet snel genoeg: om 23.30 uur zijn we nog zo’n 60 kilometer van Monywa verwijderd. We weten inmiddels dat het een nachtelijke expeditie door Monywa gaat worden om een hotel te vinden. De kapitein vaart echter een rustige zijtak in en zet de motor uit. Het wordt ons duidelijk dat we de nacht hier zullen moeten doorbrengen; de bemanning gaat een slaapje doen.

 

Met z’n vijven liggen we in onze ‘slaapcoupé’. Dat is de hut waar Tanja de tassen in heeft gelegd. De maat van de hut is zo ongeveer 3.00 m breed, 1.70 m lang en 1.20m hoog en dat is best wel een situatie van sardientjes in een blik als je daar met z’n 5-en en alle bagage in gaat liggen. Wij leggen onze tassen maar op het dek om een beetje meer ruimte te creëren. Op de stalen vloer ligt een paardendeken en we houden de schuifdeurtjes open voor wat frisse maar ook koude lucht. 

 

Om 6:30 uur bij zonsopgang gaat de motor weer aan en varen we weer verder. In onze hut koken we water voor koffie en thee en we snijden de bananencake in plakjes: ‘ontbijt op bed’ zullen we maar zeggen. Rond 9 uur komen we aan in Monywa. Het is werkelijk bizar. De boot wordt namelijk bestormd door taxichauffeurs (althans dat maken wij ervan) die hun diensten aanbieden aan de passagiers. Ze rennen en schreeuwen onze hut in. Een taxi hebben we niet nodig. Als één van de laatste komen we van boord, balanceren over de noodsteiger van twee verende planken en sjouwen onze fietsen en tassen de kade op. Na ons zien we een hoogbejaarde vrouw door een heel consortium liefdevol uit het schip wordt getild.

 

Christoph had in Kalewa een lekke band opgelopen en met z’n allen helpen we hem de binnen- en buitenband te wisselen. Christoph heeft sinds de Indische modder zijn fiets nauwelijks gepoetst. We hebben hem gewaarschuwd: als je niet goed zorgt voor je fiets, zorgt je fiets niet goed voor jou. Vermoedelijk neemt hij onze raad ter harte want enkele dagen later meldt hij vanuit Mandalay trots dat hij na een poetsbeurt bij een fietsenzaak denkt de schoonste fiets van ons vijven te hebben. We gunnen hem de eer en wensen deze super sympathieke Duitser toe dat zijn fiets hem niet in de steek laat. Misschien hebben wij de modder en stof niet geheel en al voldoende gepareerd. Bij Harry is een barstje in velg te zien en ook in een slag in het wiel. We besluiten in Monywa te blijven, zij besluiten richting Mandalay te fietsen. We nemen afscheid van elkaar bij een bakkerij met cappuccino en taart.

 

Monywa staat bekend om een hele grote staande boeddha. Die staat helaas 20 kilometer uit het centrum. Ons plan om er voor een fotootje naar toe te fietsen en weer terug, zetten we opzij. Roelie gaat aan de slag met Harry’s wiel. Dat blijkt niet maar 1 maar zelfs op 12 plekken een barstje te hebben. Oeps, mag eigenlijk niet gebeuren. De spaken staan te strak om er iets aan te veranderen. Een voor ons enigszins herkenbaar probleem. Roelie had vorig jaar in de Verenigde Staten ook barstjes in haar velg en kon er nog weken mee verder. De poging om de slag uit het wiel te krijgen wordt gestaakt. Gelukkig worden we door Mathijs van PilotCycles super geholpen, maar het is duidelijk dat er een nieuwe velg nodig is. Het zal niet gemakkelijk zijn om aan de ene kant een velg van 29 inch te vinden en aan de andere kant een vakman die de velg aan de bestaande spaken kan vlechten. In Chiang Mai, Thailand, zal dat waarschijnlijk geen probleem zijn, maar dat is nog erg ver weg. We besluiten vragen uit te zetten naar diverse fietsenwinkels in de miljoenensteden Yangon en Mandalay en vragen Jimmy General Waste, waar we via Facebook in contact mee zijn gekomen, om advies over het verkrijgen van een nieuwe velg. Oké, meer kunnen we op dit moment niet doen. In het fijne en goedkope Hotel Chindwin kijken we naar de prachtige film ‘Life of Pi’ en bij zonsondergang kunnen we vanaf het dakterras de enorm hoge gouden staande boeddha in de verte zien stralen. We slapen die nacht als babies. 

 

Hotel Chindwin blijkt ook nog eens een prima ontbijt te hebben en dat geeft voldoende basis voor de lange etappe van 113 km naar Pakokku. De eerste 40 km volgen we een smalle asfalt weg die af en toe omschakelt in een onverharde weg en vervolgens alleen nog maar onverhard bijkt te zijn. Het is een mooie route door landelijk gebied en ergens halverwege worden we verrast door een oud en overwoekerd tempelcomplex. Dit is veel mooier dan al die glimmende gouden pracht en praal.

 

Bij de brug over de ons bekende Chindwin River draaien we de brede geasfalteerde autoweg op. De overige kilometers rijden we verder over een goede en qua verkeer zeer rustige weg. Ons valt op dat er weinig fietsers zijn en weinig tuktuks. De auto’s, bussen en vrachtwagens zijn veel nieuwer en chiquer dan in India. In de oude ommuurde stad Pa Khan Gyi slaan we af om een oude teakhouten pagode te bekijken. Het maakt weinig indruk na het oude tempelcomplex van vanochtend en we fietsen dan ook maar verder zonder de tempel te bezoeken (en zonder daarvoor US$5 te betalen).

 

We fietsen niet heel veel verder, want Roelie krijgt een lekke band. Aan de zijkant van de buitenband in het achterwiel ziet een flinke scheur. We stoppen er een ander binnenband in en verstevigen de buitenkant zowel aan binnen als buitenkant met duct tape en rijden zo het laatste stuk naar de stad Pakokku.

 

Het eerste hotel in Pakokku lijkt ons te prijzig en we fietsen door naar guest house Myint 2. We worden geweigerd omdat we buitenlanders zijn en bij een tweede guest house blijken we om dezelfde reden niet welkom. In het derde guest house zijn we wel welkom; er hoeven geen paspoorten getoond te worden en geen formulieren ingevuld: aha we zijn dus ‘onder de radar’. Pakokku is een grote stad maar niet toeristisch. We maken ons enigszins zorgen over het bestellen van het diner, maar op GoogleMaps vinden we twee buffetrestaurants vlak bij elkaar en dicht bij ons guest house. Een buffet lijkt ons ideaal, geen problemen met onleesbare menukaarten en taalproblemen bij het bestellen, maar gewoon aanwijzen of zelf opscheppen. Dat pakt toch iets anders uit. We nemen plaats in een van de buffetrestaurants en terwijl we aan het rondkijken zijn waar het buffet zich bevindt wordt er zonder maar iets te zeggen een enorme hoeveelheid schaaltjes met een enorme hoeveelheid eten voor slechts ons tweetjes op onze tafel gezet. We zijn verbijsterd als blijkt dat de schaaltjes die we aanraken telkens ook nog eens aangevuld en opgetooid worden. We zijn daarnaast blij verrast als we voor dit alles plus twee literflessen water nog geen € 4 hoeven af te rekenen. Maar wat een verkwisting van voedsel, of zouden ze… ’s Avonds nemen we uit voorzorg maar een Probioticum.

 

Joehoe het is feest!! Myanmar viert haar Independence Day op 4 januari. Waar is het feestje? We zien er werkelijk helemaal niets van. De winkels zijn niet dicht, we zien geen kinderen spelletjes spelen en de mensen zijn niet verkleed, nee werkelijk uit niets blijkt dat het een feestdag is. Misschien zijn kantoren en fabrieken gesloten, maar daar is vaak weinig van te zien. Bovendien begint de dag voor ons niet erg feestelijk: de voorband van Harry staat plat. Er zit een doorn in en naast dat we binnenband wisselen doen we direct ook maar een bandenwissel op Roelies fiets. De buitenband met de scheur gaat naar het voorwiel en de goede band, met een profiel alsof die nog nieuw is, gaat naar het achterwiel. 

 

We zoeken ons bij het vertrek uit Pakokku eerst een ongeluk naar een ATM die ons geld wil geven en besluiten na een aantal mislukte pogingen ons geluk te beproeven in Bagan, het vermoedelijke toeristische centrum van Myanmar en ons reisdoel van vandaag. Om daar te komen steken we de enorm lange brug over de rivier de Irrawaddy over. Even eerder is de ons bekende Chindwin River in deze machtige rivier gestroomd. De weg naar Bagan lijkt op een duinlandschap maar dan wel lekker tropisch met palmbomen en cactussen. Het is best wel warm vandaag. Zo’n 28 graden maar vol in de zon en dan ook nog een duin op fietsen lijkt het eerder op 40 graden. Het zweet gutst van onze gezichten.

 

Als we de grenzen van Bagan bereiken is ineens is alles weer leesbaar voor ons. Het Birmese schrift maakt plaats voor Latijns alfabet (Engels dus). De straten worden opgeleukt door uitnodigende terrasjes. Dat dit gebied een toeristisch hoogtepuntje is, zien we ook aan het aantal blanke toeristen. Op het handjevol lange afstandsfietsers na, hebben we al weken geen ‘withuiden’ gezien totdat we deze regio in fietsen. Minder zichtbaar maar waarschijnlijk in veel grotere getallen drommen de Chinese, Japanse, Koreaanse, Indiase, Thaise en vanwege Independence day veel Birmese toeristen zich rond de restaurantjes en pagoda’s. Het verkeer zwelt aan met grote touringbussen en e-bikes (nee nee, dat is hier geen elektrische fiets maar een elektrische scooter).  

 

Bagan is lang lang geleden (van ca 850 tot 1250 n chr.) hoofdstad geweest van het Pagan-rijk, de voorloper van het huidige moderne Myanmar. De stad is in angst verlaten voordat de Mongoliërs het rijk binnen vielen. De verlaten stad is vervolgens niet verwoest en daardoor zijn de eeuwenoude pagoda’s in behoorlijke goede staat bewaard gebleven. De duizenden pagoda’s staan verspreid over een wijdverspreid gebied. Vele staan in de stijgers om gerenoveerd te worden. En tussen de oude Pagoda’s zijn ook veel nieuwe verschenen. Dat zijn niet onze favorieten. Wij houden van overwoekerd, afgebrokkeld en echt oud. Verder buiten de stad en van de hoofdwegen zijn er vele van te zien en gelukkig staan daar ook geen touringbussen bij geparkeerd.  

 

We fietsen door naar het dorpje New Bagan dat bijna volledig bestaat uit hotels, restaurants en winkels en veel verkeer. Heel heel anders dan het Myanmar dat we tot dusver hebben gezien en daardoor bekruipt ons ook het gevoel dat we er minder van kunnen genieten. Het gaat een beetje tegenstaan hoewel we er natuurlijk zelf ook deel van uitmaken. Je bent zelf de vervuiler, de veroorzaker, de toerist.

 

Twee goedkope hotels blijken op Independence day volgeboekt te zijn. Uiteindelijk weten we de laatste kamer van hostel “Ostello Bello” vast te leggen, waar we door een Finse dame worden verwelkomd. Voordeel van veel toerisme is dat we ook weer eens een andere keuken kunnen uitproberen dan de Aziatische: we eten aan de overkant van het hostel een best wel lekkere steenoven pizza. Holladiee, holladio en dan duiken we het stapelbed in. Ja ja dit is echt een hostel, maar dan wel ene met een privékamer met één stapelbed en een eigen badkamer. Dat dan weer wel. Aangezien Harry ooit een keer uit een stapelbed is gevallen, lijkt het ons het best dat hij beneden slaapt. En zo geschiedt.

 

Bij het opstaan krijgen we het goede nieuws binnen dat een fietszaak in Yangon (Rangoon) een velg in voorraad heeft die aan alle specificatie zou voldoen en deze ook kan vlechten. Yangon ligt op ruim 600 km van onze huidige lokatie en niet op onze route. Maar het is ook niet heel ver om als je richting Thailand fietst: het zal dag of 4 extra kosten. Onze route wordt omgegooid hetgeen betekent dat we Inle Lake (het andere toeristisch hoogtepunt in Myanmar) moeten laten schieten en dat we lange stukken over hoofdwegen gaan fietsen. Maar we zijn blij dat we geholpen kunnen worden.

 

Na een heerlijk combi ontbijt waar het westen (yes, black coffee!!!) het oosten (yes, Fried rice) ontmoet lezen we een mail van Sourav Modak, de journalist van The Times of India die we in Imphal, India hebben ontmoet. Hij was daar om een voetbalwedstrijd te verslaan maar was ook geïnteresseerd in ons verhaal. Hij stuurt ons de link naar het e-artikel en een pdf van de sportpagina van de krant waar het artikel in is geplaatst. We worden nog eens beroemd!

 

Het wordt een mooie fietsdag. Het verlaten van Bagan is best moeilijk. Steeds weer verschijnen er Pagoda’s uit lang vervlogen tijden die het waard zijn om van dichtbij te bekijken en foto’s te maken. De eeuwenoude pagoda’s roepen zoveel vragen en beelden op van hoe hier zo lang geleden is geleefd. Dat moet toch magisch zijn geweest. Dat is het althans nu wel. 

 

We draaien een hoofdweg op die ons uit de Bagan regio wegleidt en na nog een aantal vreselijke chique hotels komen we weer in de meer normale Birmese sfeer terecht. Er wordt ook weer ‘Mingelawa’ gezegd. Dat ontbrak er aan in het toeristische gebied. We komen tweekeer een optocht tegen waar eerst een rij meisjes en jonge vrouwen met bloemen en in mooie jurken lopen, gevolgd door prachtige uitgedoste en opgemaakte kindjes (jongetjes naar later schijnt) op paardjes, op hun beurt weer gevolgd met eveneens mooi uitgedoste kinderen op ossenkarren. Het zijn novices die hun inauguratie dag vieren. Een enkeling is al zittend op het tjokkende paard hopeloos in slaap gevallen. 

 

Na de tweede optocht draaien we van de hoofdweg af en rijden naar Mount Popa. Mount Popa is een niet-actieve vulkaan en één van de uitlopers is een loodrecht stuk rots waarop een tempel is gebouwd. De schittering van het goud van de tempel is al van ver te zien. Om op de rots bij de tempel te komen moeten 700 traptreden beklommen worden. In de tempel zijn belangrijke boeddhistische geesten afgebeeld en is mede daarom een heilige plek en een populaire bestemming voor pelgrims. Op de weg er naar toe zien we ontzettend veel pelgrims in pick-ups en busjes naar de tempel gaan. Langs deze weg staan over een lengte van zeker 15 kilometer om de 50 tot 100 meter bedelaars die naar de pelgrims roepen om geld achter te laten. Dat geld gooien ze dan uit de auto. Veel grapjassen gooien iets uit de auto wat geen geld is maar waar de bedelaars op af stevenen. Ons fietsers laten ze met rust qua geld vragen. Wel klinkt het mingelawa overal tenzij er natuurlijk pelgrims in de buurt zijn.

 

En dan krijgen we potverdriedubbeltjes alweer een lekke band. Terwijl we de band staan te wisselen wordt ons gevraagd of alles goed gaat. Ja letterlijk: ‘Gaat alles goed?’. Het zijn Martin en Margot uit Houten die een flinke ronde om Mandalay fietsen en net als wij uit Bagan zijn vertrokken vanmorgen. Ze zijn eerder in Myanmar geweest en zeggen dat het in korte tijd al heel erg is veranderd. Ze kunnen zich wat meer luxe permitteren dan wij en overnachten in een resort dichtbij de tempel en gaan die de volgende dag ook beklimmen. Wij houden het bij een colaatje bij restaurantje met Mount-Popa-view en fietsen daarna door.

 

Het beoogde Hotel Gohn is even lastig te vinden. Op Booking en Google maps lijkt het in het dorp te liggen, maar het ligt er niet. Het gebouw dat we aantreffen is volkomen verlaten en achterstallig. We vragen her en der en denken dat de lokatie, die op maps.me is aangegeven, de juiste plek zou zijn en dat ligt nog eens 9 kilometer verder het dorp uit. Gelukkig klopt het. Helaas treffen we geen Engels sprekende personeel aan maar met gebarentaal komen we er samen wel uit.

 

En dan is het alweer 6 januari: Harry is jarig. We beginnen de dag feestelijk door met diezelfde gebarentaal een passend ontbijt te bestellen. Tja dat lukt dus niet maar we ontbijten wel (yep, wederom fried rice) en kunnen daarna de dag feestelijk openen met … het plakken van twee banden. Hoe leuk is dat op je verjaardag? Bij een lekke band hebben we de gewoonte om de binnenband te wisselen en de lekke band te bewaren om later te plakken. We beginnen ons zorgen te maken over de banden, zowel de staat van twee buitenbanden als wel het aantal resterende reserve binnenbanden. Het formaat van onze banden (29 inch) is hier in Myanmar erg uitzonderlijk; hopelijk kunnen ze in Yangon ons aan nieuwe exemplaren helpen (onze vragen daarover worden namelijk niet beantwoord…). Bij binnenbanden is niet alleen de maat een probleem maar ook het type ventiel.

 

We willen vandaag naar het stadje Meikhtila fietsen dat 91 kilometer verderop ligt. Het wordt toch wel een pittige dag. Er staat een straffe wind uit het noorden. We fietsen naar het oosten maar de weg meandert, oftewel af en toe beuken we flink tegen de wind in en af en toe hebben we de wind fijn in de rug. Wat het zwaar maakt is dat het wat warm is en er heel wat hoogtemeters in zitten. We gaan al maar op en af en zetten als we voldoende adem hebben luidkeels een verjaardagsliedje in. 

 

In het A1 motel in Meikhtila ontmoeten we de Oostenrijkse Tony die ook op de fiets aan het rondreizen is. Samen met hem gaan we naar een restaurantje om wat te eten en tips uit te wisselen. Als we willen vertrekken raken we in gesprek met Jaap & Alie uit Nederland, die - hoe is het mogelijk? - op de fiets door Myanmar reizen en op weg zijn naar Thailand. Bij een supermarkt op weg terug naar het hotel kopen we een paar miniflesjes mousserende wijn (of wat er voor doorgaat) en gaan we op onze kamer dan eindelijk een soort van verjaardag vieren. De wijn smaakt naar cassis en aangezien cassis best lekker is, is het prima. 


«   »