Servië

Gepubliceerd op 9 augustus 2018 18:00

Servië is het vierde land van voormalig Joegoslavië dat we bezoeken op onze fietstocht rond de wereld. En ook dit land is weer volledig uniek ten opzichte van de vorige drie. Het land heeft indrukken bij ons achter gelaten die we niet zullen vergeten.

Onder een inktzwarte lucht steken we de grens over naar Servië, nadat we de laatste 15 Bosnische Marken (ongeveer € 7,50) uitgeven aan lekkernijen bij een tankstation aan Bosnische zijde. In grensstad Bajina Basta vinden we al snel het tourist informatiecentrum voor met name het Tara National Park. Aan de balie staat Irena, die ons in vloeiend Engels een antwoord geeft op wellicht 20 vragen en diverse telefoontjes voor ons pleegt. Wat een geweldige vrouw!

 

Via Maps.me en op basis van wat informatie op internet hadden we al een rondje Tara gebergte uitgestippeld. De kaart die we van dat gebied krijgen laat zien dat deze route een goede keuze is. Campings zijn er maar weinig en die blijken ook over het algemeen gesloten te zijn. Op internet hadden we gelezen dat wildkamperen in het gebergte verboden is, "because of the wild animals". Irena weet ons te vertellen dat dit wel meevalt: "it's not probitted, so allowed". De beren in het gebied zijn niet talrijk en laten zich in de regel niet zien behalve op hun vaste voederplek waar toeristen zich aan hen kunnen vergapen.

 

In Perucac blijkt de camping te grenzen aan een mooi restaurant dat boven een rivier met waterval is gebouwd. We staan er als enige. Later arriveren een Italiaans stel met zo’n coole tent bovenop de auto en een Sloveens stel met een mini camperbusje. Irena, de Sloveense dame is erg onder de indruk van ons, zo op de fiets helemaal vanuit Nederland! Al snel brengt ze ons pruimen uit eigen tuin. Als we al in de tent liggen en bijna slapen, biedt ze aan ‘s ochtends koffie voor ons te maken. Die slaan we af want we hebben onze eigen espressomaker, maar als ‘s ochtends blijkt dat de nieuwe koffie niet geschikt is voor de perculator, komen we daar op terug. Samen met de koffie krijgen we van Irena eigengemaakte homeopatische zalf tegen pijntjes en tegen wondjes. Wat een lief mens! Ze wonen op een boerderij in west Slovenië en vieren vakantie in de verschillende landen van voormalig Joegoslavië. 

 

Van de camping op 240 m hoogte naar het gehucht Mitrovac centraal in het Tara-gebergte op 1106 m hoogte moeten we dus 866 m omhoog in 15 km. Een heerlijk gematigde maar in percentage absoluut acceptabele klim. Na 2,5 km herinnert Roelie zich iets en keert Harry terug naar de camping om de powerpack en een achterlampje van de stroom te halen. Twee extra haarspeldbochten voor Harry! De weg is mooi en heel rustig: weinig auto’s en al helemaal geen motoren! Onderweg worden we meerdere malen getrakteerd op een prachtig uitzicht op het dal van de Drina en het stuwmeer bovenstrooms bij Perucac. Op de bergwand aan de overzijde van de Drina, in Bosnië-Herzogovina dus, zien we een moskee aanvankelijk nog hoog boven ons. Enkele honderden hoogtemeters hoger kijken we erop neer. Als we uiteindelijk de top bijna hebben bereikt zien we een waarschuwingsbord dat we “bear country” binnengaan. 

 

Mitrovac lijkt een chaotische verzameling van vakantiehuisjes, appartementen, een jeugdvakantiecomplex, twee terrasjes en een mini-market (reken erop dat deze ongeveer +25% duurder is dan aan de voet van het Tara gebergte). Het weer lijkt zeer onbestendig en we vragen bij de tourist information of bekend is wat het weer gaat doen. De dame achter de balie is wijs en waagt zich dus niet aan een voorspelling. 

 

We fietsen die middag eerst over een gravelroad naar het meest geroemde uitzichtpunt binnen het park dat inderdaad een adembenemend uitzicht biedt over de canyons van de Drina. Je ziet hier een handjevol toeristen, zelfs van Aziatische komaf, maar het mag geen naam hebben: hier geen wachtrijen om aan de beurt te komen voor die ene foto, zoals we in National Parks in Canada hebben meegemaakt. De terugweg naar Mitrovac levert ons weer wat hoogtemeters op en we doen een paar boodschappen voordat we naar ons beoogd wildkampeerplekje gaan: het meer Zaovine, ongeveer 8 km verder (en 200 meter lager) het park in. De plek bij de stuwdam van Jezero Zaovine is onbeschrijflijk mooi. We trekken onze badkleding aan en gaan met een blikje bier en een zak chips aan het kiezelstrand zitten en nemen een verfrissende duik in het koele, helderblauwe water. Helaas mogen we er maar heel kort van genieten want er dient zich onweer aan. We snellen naar ons kampeerplekje waar we de tent willen opzetten voordat het losbarst. Het waait enorm en maar met enige moeite staat ons tentje als een rots in de branding. Als het begint te regenen is de laatste haring de grond ingetikt en pakken we onze stoeltjes en gaan in de tent zitten... om er na 5 minuten weer uit te komen. Het weer is erg onbestendig: dan weer schijnt de zon volop en is het warm, dan weer waait het hard, dan weer regent het dikke druppen. Het enige wat aanhoudt is het gedonder in de donkere wolken om ons heen. We besluiten iets te gaan eten in een restaurantje aan de andere kant van de dam. Tegen 8 uur zitten we de menukaart met Servische gerechten te bestuderen. De deur van het restaurant werd na ons op slot gedaan; in Servië eet men vroeg, weten wij inmiddels. Wat we van de kaart willen bestellen blijkt niet voorradig te zijn, uiteindelijk blijft er voor ons een Servische burger en een goulash stoofpotje over om te kiezen. 

 

De dag erop voelt Roelie zich niet lekker. Ons beoogde doel is Užice, ca 70 km verderop. Daar zou een camping in de heuvels buiten de stad liggen. Vroeg gaan we op pad; de afdaling die we gisteren naar het meer hadden gedaan, moeten we nu terugfietsen. Roelie heeft het zwaar en we zijn blij als we weer op hoogte in Mitrovac zijn. Vanaf daar is het oostelijk naar Kaluđerske Bare. We blijven gemiddeld min of meer op hoogte, maar helaas is het Tara gebergte geen plateau en gaat het flink op en af. Maar wat is het er mooi! En wat is het rustig! Je verwacht elk moment een hertje (of een bruine beer haha) de weg over te zien steken.

 

Als we in Kaluđerske Bare aankomen is Roelie uitgeput. Het is nog zo’n 40 km naar Užice en we hopen dat het allemaal bergaf is. Het hoogteprofiel van maps.me haalt ons uit die droom. Bij een winkeltje slaan we wat water in. Buiten worden we aangesproken door een soort bordercontrol-meneer op een mountainbike. Hij spreekt goed Engels en vraagt of hij ons ergens mee kan helpen. Ja, we willen naar Užice, wat is de minst inspannende weg? Wij tonen hem onze route die over gravelroads gaat. “Don’t take that way, that is shit!”, waarschuwt hij. Hij zegt dat we moeten afdalen naar Kremna en dan kunnen we een meer rustige oude weg of een meer drukke nieuwe weg doorfietsen naar Užice. Beide wegen hebben nog twee beklimmingen voor ons in petto. Hoewel hij in Užice woont heeft hij nog nooit van onze beoogde camping gehoord, maar volgens hem is er ook een camping in Kremna. We informeren naar de mogelijkheden van wildkamperen, maar daar wilde hij ons niet over adviseren vanwege zijn - voor ons niet helemaal duidelijke - functie. 

 

Na 10 km afdalen komen we direct een bord tegen: camping Viljamovka nog 2 km. Roelie geeft aan dat haar tank nu echt leeg is en dat als de camping er goed uitziet, we in Kremna overnachten. Na 500 meter staat er weer een bord: camping Zip nog 300 meter. Hé wacht even is dat niet een andere camping? Driehonderd meter verder staan we bij camping Zip en maken we kennis met Ana. De camping blijkt net te zijn geopend en is modern, schoon en van alle gemakken voorzien, inclusief wasmachine en goed werkende wifi. Het heeft bovendien een keuken met grote eetzaal, niet onbelangrijk voor fietsers met een kleine tent en een bijna leeg gastankje. Bovendien blijft de onweersdreiging aanwezig. Als we ons tentje hebben opgezet en de was in de wasmachine hebben gedaan, stort Roelie zowat in elkaar. Een dag later wordt Harry ook ziek, met dezelfde verschijnselen. Uiteindelijk zijn we vier dagen te gast bij camping Zip. Ana, de goed Engels sprekende gastvrouw, blijkt een engel te zijn: ongevraagd doet werkelijk alles voor ons, het is echt teveel om op te noemen. We prijzen ons gelukkig dat we bij onze eerste dip op haar en haar camping zijn gestuit! Vier dagen lang doen we bijna niets.

 

Na dagen van rust en herstel kunnen we weer verder. Bijkomend voordeel is dat ook het weer zich heeft herstelt. Het onweer is eindelijk uit de lucht. 

 

Je komt weinig wielrenners tegen in Servië. Althans tot aan Čačak. Daar zien we een eerste en later nog ruim honderd meer! Er blijkt een toerrit in het centrum te starten, wat leuk! 

 

Užice, Pozage, Čačak, de steden die we de afgelopen twee etappes zijn tegengekomen, zijn niet mooi maar wel leuk. Veel terrasjes, levendigheid, winkeltjes, groenteboertjes en bakkertjes. Maar bovenal zijn er heel veel mini markets. De ieniemienie supermarktwinkeltjes staan overal langs hoofdwegen en in achteraf gelegen dorpjes. In een gehucht staan er zomaar drie op een rij en in elke mini market komen klanten. Binnen in de paar m2 die de winkel telt staat het afgeladen vol gestopt met allerhande producten. Nooit ontbreekt buiten voor de winkel de koelkast(en) met diverse soorten pivo (=bier), fris en water en de diepvries met ijsjes. Naast de ingang staat een tafel met een bank of stoeltjes waar al kletsend de pivo kan worden genuttigd. 

 

Mensen in Servië zijn ten opzichte van eerdere landen waar we doorheen zijn gefietst enthousiaster als we ze tegenkomen. Van jong tot oud krijgen we een dobar dan (goedendag), een duim op, gezwaai, getoeter of een ‘bravo!’! 

Is alles in Servië goed? Nee, dat niet. De bermen, maar ook vaak rivierbeddingen liggen vol afval. Er is overal plastic. Supermarkten overladen je met plastic zakjes. Lege petflessen, blikjes maar ook grof afval liggen verspreid in bermen, riviertjes, dorpen en heuveltoppen. Buiten dat krijgt Servië van ons veel lof. De mensen zijn heel erg aardig, de dorpjes en steden gonzen met leven op een zeer relaxte manier en de natuur is prachtig. Er is vast nog veel meer te ontdekken in dit land. 

 

Het dal van de rivier Zapadna Morava wordt steeds breder en wat saaier. Ook al fietsen we ver van de hoofdwegen, het wordt een beetje eentonig. Is deze route te vlak voor ons? We zijn blij als we het dal voor onze overnachtingsplek kunnen verlaten en nog even een pittig klimmetje mogen doen voordat we een modain toeristische stadje binnenrijden. In Vrnjacka Banja, onze tweede Spa/Thermen plaats op een rij waar we overnachten is het druk, maar gezellig druk. Had de vorige banja nog echt de vergane glorie van het Joegoslavië tijdperk over zich heen hangen, deze plaats is dat beslist ontgroeid!

 

Vrnjacka Banja bruist, wellicht mede dankzij de jongelui die op meerdaags electrofestival (gewoon midden in de stad) zijn afgekomen. Wij gaan het niet laat maken en zien op ons appartement dat onze oorspronkelijke route het wat saaie dal van vandaag verder blijft volgen. Dat willen we eigenlijk liever niet. Het liefst gaan we meer naar het zuiden, de bergen in. Op Lonely Planet komen we Devil’s Town tegen als highlight van zuidoost Servië. De route ernaar toe brengt ons dan inderdaad de bergen in die we in het zuiden vanuit Vrnjacka Banja zien liggen. We klimmen door het bos richting Mount Goc. De eerste 10 km worden we vergezeld van een horde kleine vliegjes die gelukkig niet steken maar er wel voor zorgen dat we enerzijds continue voor ons gezicht zwaaien om ze uit onze ogen, neus en oren te meppen en anderzijds zeker een kilometer per uur harder de berg op trappen. We hebben geen idee hoelang de klim zich uitstrekt, maar uiteindelijk staan we 15 km verder en 750 meter hoger zweet te druppelen in een inieminie market dat alleen bruisend water (naast bier natuurlijk) verkoopt. 

 

Na een heerlijk eerste stuk van de afdaling rijden we een steeds bevolkter deel in waar hoofdzakelijk bramen worden geteeld. Als we met een meloen als lunch bij een beekje lunchen biedt de boer aan om bramen van zijn aangrenzend perceel te plukken en te eten. De bramen zijn groot en rijp en heerlijk.

Na het dal volgt een minder inspirerend deel. Niet vreemd na 60 km prachtig Servië. In het ietwat economisch achtergebleven  Blace zien we een chique terras. Het hotel is nog niet open en zou waarschijnlijk ook te duur zijn geweest, een camping is in dit deel van Servië ver te zoeken en er ontbreekt de puf om nog buiten deze stad een wildkampeer plek te zoeken. De ober vertelt ons dat er 50 m verderop een kamer voor weinig te huren valt. We bestellen bier en ‘call it a day’.

 

Ken je het verhaal van die fietsers uit Nederland die naar Devil’s Town gingen? Die gingen dus niet. In het stadje Kuršumlija gaan we naar de toerist info center. De vier dames spreken bijna geen woord Engels, maar ons wordt duidelijk dat we niet mogen kamperen bij Devil’s Town, dat we er niet met de fiets kunnen komen en de folders laten nog eens de ons al eerder bekende foto’s zien van de rotsformatie. Onder het genot van een kop koffie laat Harry out of the box het idee vallen om de extra 500 hoge beklimming naar Devil’s Town te laten voor wat het is. Het idee vindt uiteindelijk bijval.

We fietsen de Devil’s voorbij en hopen het stadje Leskovac te halen. Er zit een klim van 800 hoogtemeters in maar het is nog vroeg en we doen immers die 500 m naar Devil’s niet. Misschien halen we het. Nou uiteindelijk halen we het, maar op ons tandvlees. Na Prolem Banjo blijkt de klim een belabberde gravelweg met van tijd tot tijd te stijle stukken te zijn. Halverwege nodigt een al 30 jaar in Frankrijk wonende man ons uit voor een pauze met een drankje. Hij heeft in Servië een eenvoudig huisje maar met 20 hectare en vooral met een geweldig uitzicht. Dit jaar is het al de vierde keer dat hij even terug is. Een paar colaatjes en een schnaps verder, vinden we dat ook wij weer verder moeten. We zijn nog lang niet op de top van deze (te) zware beklimming.

 

Een kilometer voor de top spreekt Roelie voor het eerst de woorden uit ‘ik vind het niet leuk meer’ en Harry vraagt ‘zullen we proberen nog een stukje te fietsen, het zal niet ver meer zijn.’ Geregeld zit er met die losse stenen niets anders op dan de fiets omhoog duwen. Zelfs de voeten schieten vaak weg. Een helse klus die we pas diep in de middag klaren. Het dal aan de achterkant laat een heel ander Servië zien. We zien mensen met een veel donkerdere huidskleur, armoedige huisjes en de gebruikelijke winkeltjes en terrasjes ontbreken. In Bojniks willen we stoppen, maar er hangt geen fijne vibe en er rijdt ongelooflijk veel politie rond. Door naar Leskovac dus!

 

Leskovac blijkt een verrassend levendig en georganiseerd stadje te zijn. Op de 22 kilometer er naar toe komen we fietsers, mountainbikers en wielrenners tegen. In het centrale park vinden we een hip terras. Daar eten we ‘s avonds welverdiend een goed bord pasta (Roelie) en een grote pizza (Harry). 

 

De volgende morgen fietsen we een saai stuk naar Vlasotince maar vanaf daar wordt de route gelukkig beter. We doen het rustig aan vandaag (althans dat was de bedoeling...). De etappe van gisteren was zwaar en Harry heeft ook nog eens slecht geslapen door buikpijn. Bij Babusnica eindigt de prachtige kloof waarin we naar boven zijn gefietst in een brede vallei. Het is heet vandaag en we willen lekker lang in de schaduw gaan zitten om dan nog naar Pirot te fietsen. Op de hoofdweg zien we een bekende bamboe fiets staan. In heel Servië, maar ook in Slovenië, Kroatië en Bosnië-Herzegovina, hebben we geen fietsvakantieganger gezien, maar hier zit Audi aan een icedcoffee te nippen. Audi is als Warmshowers-gast bij ons blijven logeren op haar weg naar Marokko eerder dit jaar. Wat een ongelooflijk groot toeval! Audi is ook degene die ons heeft aangeraden door Servië te fietsen in plaats van Roemenië. Een goede tip waar we haar nu zelf persoonlijk voor kunnen danken. Ze geeft ons nog een tip: niet naar Pirot maar naar Zvonce fietsen.

 

We vertrekken rond 16 uur voor nog 25 kilometer voornamelijk klimmen. Zo wordt het toch weer een zware etappe. Het is al na 19 uur en we zijn nog steeds op zoek naar een wildkampeerplek langs de rivier Jerma. De rivier ligt echter nog tientallen meters beneden ons en heeft geen vlakke oevers.  Opeens zie we een groepje blokhutjes liggen...Het begint al te schemeren... Het is wat koud... Er is een warme douche... En een restaurant... Harry's buik en maag protesteren al de hele dag... Wordt dit het laatste overnachtingsplekje in Servië? Dat wordt het.

 

De volgende dag blijkt dat we het mooiste voor de laatste dag hebben bewaard: we dalen af door een wonderlijk mooie kloof van de rivier Jerma, een absoluut hoogtepunt van de route door Servië. 

Met enige tegenwind fietsen we naar de grens met Bulgarije. We beseffen ons dat we vanaf Oirschot zo'n beetje de wind in de rug hebben gehad. Een groot contrast met de Great Divide MountainBike Route waar we drie maanden overwegend vol tegenwind hebben gehad. Wat gaat Bulgarije ons brengen? We schrijven er later over!


«   »